Spreuken 21:3
1. Hier wordt te kennen gegeven, dat velen zich misleiden met de waan, dat hun offeren van offeranden hen vrijstelt van het doen van gerechtigheid, hun ontheffing zal bezorgen van de schuld hunner ongerechtigheid, en dit maakt, dat hun weg recht schijnt in hun ogen, vers 2. Wij hebben gevast, Jesaja 53:3, dankofferen zijn bij mij, Spreuken 7:14.
2. Het is duidelijk uitgesproken, dat een goed leven te leiden, recht te doen, weldadigheid lief te hebben, Gode meer welbehaaglijk is dan de prachtigste en kostbaarste offers. De offers waren door God ingesteld, en waren toenmaals welbehaaglijk aan God, als zij geofferd werden in geloof en met berouw over de zonde, maar anders niet, Jesaja 1:11 en vervolgens. Maar aan zedelijke plichten werd de voorkeur gegeven boven hen, 1 Samuël 15:22, hetgeen te kennen geeft dat er in henzelf geen voortreffelijkheid was, en dat de verplichting om ze te brengen niet altijddurend was, Micha 6:6-8. Veel van de Godsdienst is gelegen in het doen van recht en gerechtigheid uit een beginsel van plicht jegens God, minachting van de wereld en liefde tot onze naaste en dit is Gode meer welbehaaglijk dan alle brandoffers en slachtoffers, Markus 12:33.