23. a) Die zijnen mond en zijne tong voor slechte en onbezonnen gesprekken bewaart, bewaart zijne ziel voor benauwdheden, zonden en angsten des gewetens (
Hoofdstuk 13:3;
19:6).
a) Spreuken 18:21.
Er is bijna gene zonde, waartegen Salomo zo menigvuldig waarschuwt, dan tegen de lichtzinnigheid, en gene deugd, waartoe hij zo dikwijls vermaant dan tot voorzichtigheid in het spreken. En inderdaad zijn er wel gene zonden, die menigvuldiger begaan, en toch minder geacht worden, dan onverstandig en onchristelijk spreken. Hoe menigvuldiger hij zijne op deze ondeugden toepasselijk waarschuwingen herhaalt, des te dieper moeten wij die in ons hart prenten.. 24. Die verachtelijk nederziet op al wat heilig is; en op het geloof aan het goddelijke, kan een hovaardig pocher genoemd worden; want aanspraak makende op een bijzonder diep inzicht en grote wijsheid, blaast en woedt hij tegen alle ware vroomheid en godsvrucht, en treedt hij openlijk op als de aanstoker van twist en strijd. Hij is een goddeloos mens, en zijn naam is, naar het algemene oordeel der mensen spotter, en door zijn eigenwaan gedreven, is hij toornig en hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk; hij kent zich zelven niet meer, en is onbekwaam om de stem der waarheid te horen (Hoofdstuk 14:6; 15:12; 22:10).
1) Dit vers schijnt de bedoeling te hebben een juist begrip van spotters te geven, die er dan ook in den tijd van Salomo reeds waren. Meer dan andere mensen waren zij geneigd hun vleselijke lusten te voldoen en de wereld te dienen; zij waren onverschillig omtrent den godsdienst, en meenden, dat zij boven anderen verheven waren door hun recht inzicht in vele zaken den godsdienst betreffende, zij noemden zich sterke geesten, die alles konden bevatten. Door hunnen bekenden haat tegen de geopenbaarde waarheid waren zij onderscheiden van de dwazen en onwetenden. Daaruit is het dan ook te verklaren, dat eerst na den tijd van Salomo het Hebreeuwse woord `lez' voor deze vrijgeesten gebruikt werd. Ook onze tijd, die hierin met dien van Salomo overeenkomt, is rijk aan zulke spotters of sterke geesten, zoals zij zelven zich gaarne zouden noemen: mensen, die in staatsvergaderingen en raadhuizen, in kerken en scholen niet ophouden, onder den schijn van een dieper inzicht in de zaken, de eenvoudige waarheid ontkennen, en hen, die ze liefhebben verachten en hartstochtelijk en onzinnig vervolgen..
Zouden dezulken niet menen, dat zij alleen in staat zijn om den dageraad ener betere wereldbeschouwing aan te kondigen? Maar wat is het einde van zulke spotters? De ondervinding heeft het geleerd, ook van sommigen in onze dagen: zij zijn vergaan, en al hun hovaardij is beschaamd gemaakt..
Deze waren degene, die, in zondigen overmoed des harten, allen geopenbaarden Godsdienst den rug toekeerden, en het er op toelegden, om den geopenbaarden Godsdienst in een bespottelijk daglicht te stellen. Het waren de vrijgeesten, de Voltaires en de Nietzsches van die dagen. Salomo noemt ze hovaardige overmoedige pochers, die in hun overmoed, den hemel en al wat heilig was durfden aantasten en aanranden.