6. De spotter, ofschoon van God, de bron van alle waarheid en wijsheid afgekeerd, zoekt ook zelfs dikwijls met grote moeite en inspanning naar wijsheid, en er is er gene voor hem te vinden; want die God niet lief heeft, kent Hem ook niet; maar de wetenschap is voor den verstandige, in wiens hart de vreze Gods licht; hij verkrijgt haar, zonder dat hij zelf weet hoe; want wie heeft, dien zal gegeven worden (
2 Timotheus 3:7.
Jakobus 1:5,
17). De strekking van deze Spreukenuk is klaarblijkelijk gericht tegen die oppervlakkige ijdele schijnbeschaving van die spotters met den godsdienst, die in enen verkeerden zin verlicht zijn, die het aan rechte kennis en begrip van alle waarheid ontbreekt.
Alzo bestraft deze Spreukenuk ook de schijnbeschaving van onze dagen, welker grondslag de godsvrucht niet is, welke veel meer als ene uitrusting met alle wapenen, welke onechte wetenschap en ijdele geschriften tot verwoesting van waarheid, zeden en godsvrucht uitwerkt, kan beschouwd worden. De strijd tussen ware en valse beschaving, goddelijke en duivelse wijsheid, gelovige en ongelovige wetenschap is onverzoenlijk. Alle ware wetenschap begint met de vreze en kennis van God, met de ootmoedige erkentenis, dat men zelf niets weet en vermag. Daarom zegt Richard van St. Victor: "Een ieder vermag zoveel van de waarheid te zien, als hij zelf is." Daarmee, dat de mens aan de werking van den Heiligen Geest plaats geeft, begint zijne vorming en beschaving in den waren zin des woords. Zijne krachten ontwikkelen zich, worden sterk, krijgen ene bepaalde richting, afmeting en doel, alles naar het voorbeeld van Christus. Zijn kennen komt tot het begrip van de wezenlijke betekenis en den samenhang van alle bestaan en leven; zij kan de dingen, welke in den voortgang des tijds en des levens uit het rijk der schepping achtereenvolgens, als nieuw onder zijn bereik komen, rangschikken in den behoorlijken samenhang van het geheel, waarin elke op zich zelf staande zaak licht wordt, zodat het nieuwe de kennis niet verduistert en verwart, maar rijper en meer volkomen maakt. Zijn gevoel gaat meer en meer over in een bewonderend welgevallen in de werken, de beschikkingen en de daden Gods, als openbaringen van Zijne almacht, wijsheid en liefde, en in een mishagen in al datgene, wat tegen den wil van God strijdt, en in Zijne heilige verordeningen verwoestend ingrijpt. Zijn wil wordt bevrijd van de macht der zonde, die de geheimzinnige tegenoverstelling van vrijheid en gebondenheid in hem gelegd heeft, zodat nu de mens de keten, waarin hij geboren was, verbreekt, als meester over zich zelven, ook meester worden kan over alles, wat strijdt met zijnen wil, dien hij vrijwillig aan den wil van God heeft onderworpen, terwijl hij met opgeheven hoofd het doel tegemoet gaat, dat hem, zo als de apostel Paulus zegt, de hemelse roeping in Christus voor ogen stelt. Is alzo alle menselijke beschaving in de gemeenschap met God geworteld, dan heeft zij dien tengevolge haren grond in den godsdienst, welke de betrekking daar stelt van de onderworpenheid des mensen aan den wil van God. Ja, wij mogen verder gaan en zeggen: in zo verre alles, wat buiten God bestaat, Gods openbaring is, waarin de mens Gods heerlijkheid moet erkennen, en tevens het rijk, waarin hij daardoor, dat hij al zijn doen naar Gods wil inricht, beheersen en dienen moet; in zo verre gaat de beschaving van den mens op in den godsdienst, en al zijne plannen en pogingen moeten strekken om God te dienen. Als wij zo spreken, drukken wij daardoor de schoonste en edelste opvatting van de menselijke beschaving en het menselijke leven uit.
Die onverschillig is omtrent God, de spotter, kan aldus gene beschaving, kennis of wijsheid in den waren zin van het woord bezitten of verkrijgen.