Spreuken 19:6-7
Deze twee verzen zijn een verklaring van vers 4, en tonen aan:
1. Hoe zij, die rijk en groot zijn, gevierd en gevleid worden, vele volgelingen en dienaren hebben. De vorst, die macht in zijn hand en bevorderingen tot zijn beschikking heeft, ziet zijn deur en zijn antichambre belegerd door personen, die hem iets te verzoeken hebben en bereid zijn hem te aanbidden voor hetgeen zij van hem verkrijgen kunnen. Velen smeken om zijn gunst, en achten er zich gelukkig in. Zelfs voorname, aanzienlijke lieden zijn nederige smekelingen van de prins. Hoe vurig en ernstig behoorden wij dan niet de gunst van God te begeren, die oneindig ver is boven die van een aardse vorst! Maar het schijnt wel dat vrijgevigheid nog verder gaat dan zelfs majesteit, om eerbied te winnen, want het zijn velen, die hun hof maken aan de prins, maar ieder is een vriend desgenen, die giften geeft, niet alleen zij, die gitten van hem ontvangen hebben of van hem verwachten, zullen als vrienden bereid zijn hem te dienen, maar ook anderen zullen, als vrienden, hem hun goed woord geven. Verkwisters, die op dwaze wijze mild zijn met hetgeen zij hebben, zullen vele schuimlopers hebben, die hen, zolang als het duurt, hoog zullen roemen, maar hen zullen verlaten als het op is. Zij die met wijsheid vrijgevig zijn, zullen er een invloed door verkrijgen, die hun zeer nuttig zal zijn, zij worden geacht weldoeners te zijn, oefenen een gezag uit, dat hun de gelegenheid geeft om goed te doen, Lukas 22:25.
2. Hoe zij, die arm en gering zijn, gesmaad en geminacht worden. Het moest niet zo zijn, wij moeten alle mensen eren, zelfs in hun grootste vernedering. De mensen kunnen, als hun dit behaagt, de vorsten en de vorstelijken het hof maken, maar zij mogen de armen niet vertreden en hen niet met minachting aanzien, maar dikwijls is het zo, al de broederen des armen haten hem, zijn eigen bloedverwanten zelfs zijn schuw van hem omdat hij nooddruftig is en iets van hen verwacht, en omdat zij hem als een vlek van hun familie beschouwen. Geen wonder dus, dat anderen van zijn vrienden, die niet aan hem verwant zijn, verre van hem gaan, hem uit de weg gaan, hij loopt hen na met woorden, hopende iets op hen te vermogen, dat zij om zijn dringend aanhouden vriendelijk voor hem zullen zijn, maar het is alles tevergeefs, zij hebben niets voor hem. Zij vervolgen hem met woorden, zo verstaan het sommigen, teneinde zich te verontschuldigen, dat zij hem niets geven, zij zeggen hem dat hij lui is en onbetamelijk is, dat hij zelf zich arm gemaakt heeft, en daarom niet geholpen of ondersteund moet worden, zoals Nabal tot Davids boden zei: "Daar zijn heden vele knechten, die zich afscheiden elk van zijn heer, en hoe kan ik weten of David niet een van hen is?" Laat arme lieden daarom God tot hun vriend maken, Hem vervolgen, nalopen, met hun gebeden, en Hij zal hun niet falen.