Spreuken 14:20
Dit toont aan, niet wat behoorde te wezen maar wat is, de gewone weg van de wereld is schuw, huiverig te zijn van de armen, ingenomen te zijn met de rijken.
1. Weinigen zullen steun verlenen aan hen, die door de wereld met donkere blikken worden aangezien, ofschoon zij anders alle achting waardig zijn. De arme, met wie men medelijden moest hebben, die aangemoedigd en geholpen moest worden, wordt met koude blikken aangezien en op een afstand gehouden zelfs door zijn vriend, die, voordat hij tot armoede was vervallen, op vertrouwelijke voet met hem stond, en beweerde genegenheid voor hem te koesteren. De meesten zijn zwaluwvrienden, die in de winter wegtrekken. Het is goed om God tot onze vriend te hebben, want Hij zal ons niet verlaten als wij arm zijn.
2. Iedereen zal het hof maken aan hen, op wie de wereld met vriendelijke, goedkeurende blikken ziet, de rijken hebben vele liefhebbers, het zijn liefhebbers van hun rijkdom, zij hopen er iets van te zullen verkrijgen. Er is in de wereld weinig vriendschap buiten die, welke geregeerd wordt door eigenbelang en die dus in het geheel geen vriendschap is, niet iets is, waarop een wijs man zich laat voorstaan, of waarin hij vertrouwen stelt. Zij, die van de wereld hun god maken, vergoden hen, die het meest van haar goederen hebben, en zoeken hun gunst, alsof zij in waarheid de gunstgenoten des hemels waren.