26. Wie den vader verwoest, ruw mishandelt, of de moederuit het huis verjaagt, is een door God gevloekte zoon, die zijne ouders beschaamd maakt, en zich zelven schande aandoet 1) (
Hoofdstuk 30:17;
28:24.
1) Hier wordt de zonde van een verkwistenden zoon voorgesteld. Deze benadeelt niet alleen zichzelven maar is ook beledigend voor zijne goede ouders, en op een laffe en lage wijze ondankbaar jegens de werktuigen van zijn bestaan, die zich geen moeite en zorgen omtrent hem ontzien hebben, en dit verzwaart zijne zonde en maakt hem uitstekender hatelijk in de ogen van God en mensen..
Het Vers 26 begint de vierde hoofdafdeling der Salomonische verzameling van Spreuken.. 27. Laat af, mijn zoon, horende de tucht, de lessen en onderwijzingen der valse wijsheid; waarom zoekt gij af te dwalen van de redenen der wetenschap, die u de ware wijsheid leren?
De "tucht," die hier in de eerste helft van het vers genoemd is, zou men ook, als op andere plaatsen in het Spreukenboek, als de tucht van Gods wijsheid kunnen opvatten. Alsdan is de zin spottender wijze, en stelt, onder den schijn ener waarschuwing, voor de goede tucht ene hoogst ernstige vermaning voor, om ze te horen en aan te nemen. Laat maar af mijn zoon! om naar de tucht te horen, die u uwe zonde en dwaasheid voor ogen stelt, als gij er slechts naar luistert, om daarna weer af te dwalen van de lessen der wijsheid, en u zelven dus ongelukkig te maken. Maar wilt gij dat werkelijk? (Hoofdstuk 20:16)..