Spreuken 16:14-15
Deze twee verzen tonen de macht aan van koningen, die overal groot is, maar inzonderheid in die Oosterse landen, waar zij absoluut en willekeurig was wie zij wilden doodden zij, en wie zij wilden behielden zij in het leven, hun wil was wet. Wij hebben reden om God te danken voor onze goede staatsregeling, door welke het prerogatief van de vorst gehandhaafd wordt zonder nadeel voor de vrijheid van de onderdaan. Maar hier wordt te kennen gegeven
1. Hoe geducht de grimmigheid eens konings is, zij is als de boden des doods, de toorn van Ahasveros was dit voor Haman. Een toornig woord van een verbolgen koning is voor menigeen een bode des doods geweest en heeft sommigen even grote schrik en ontsteltenis bezorgd, alsof een doodvonnis over hen was uitgesproken. Hij moet wel een wijs man wezen, die de toorn eens konings weet te verzoenen met een woord, ter rechter tijd gesproken, zoals Jonathan eens de woede zijns vaders tegen David tot bedaren heeft gebracht, 1 Samuël 19:6. Een wijs onderdaan kan soms aan een vertoornd vorst datgene voorstellen, hetwelk zijn toorn tot bedaren brengt.
2. Hoe kostelijk en begerenswaardig des konings gunst is voor hen, die zijn misnoegen hebben gaande gemaakt, het is leven uit de doden als de koning met hen verzoend is. Voor anderen is het als een wolk des spaden regens, verfrissend en verkwikkend voor de aardbodem. Salomo heeft zijn onderdanen hieraan herinnerd, opdat zij niets zouden doen om zich zijn toorn op de hals te halen, maar er naar zouden streven om zich aan te bevelen in zijn gunst. Ons moet dit er aan herinneren hoezeer het zaak voor ons is om te ontkomen aan de toorn van de Koning der koningen en Zijn gunst te verkrijgen. Zijn misnoegen is erger dan de dood, en Zijn gunst beter dan het leven, en daarom zijn zij dwazen, die om aan de toorn te ontkomen van een aardse vorst en zijn gunst te verkrijgen, zich buiten de gunst werpen van God en zich blootstellen aan Zijn toorn.