2. a) De schrik, het schrikverwekkende, toornige woord uit den mond eens konings is als het brullen eens jongen bloedgierigen en roofzuchtigen leeuws, en is het voorteken van een zekeren ondergang; die zich tegen hem vergramt, en die zijne majesteit te na komt, zondigt tegen zijne ziel, 1) tegen zijn eigen leven, dat hij op ene vermetele wijze aan de vervolging of zelfs aan enen ontijdigen dood prijs geeft.
a) Spreuken 16:14; 19:12.
1) Een waarschuwing om den toorn des konings niet te verwekken, om geen reden te geven, dat de toorn des konings opkomt. De koning wordt hier vergeleken met een leeuw, en gelijk het dwaas is, een slapenden leeuw te wekken, zo is het evenzeer dwaas en gevaarlijk, om den slapenden toorn van een Oostersen despoot op te wekken. Men moet niet over het hoofd zien, dat een Oosterse vorst het recht had over leven en dood zijner onderdanen.
"Al is de toorn tegen den koning billijk, uit voorzichtigheid is aan te raden dien geheel in te houden."