Spreuken 18:9
Verkwisters zijn zeer slechte huishouders, diegenen worden niet slechts terecht gebrandmerkt als dwazen, maar zullen zeer slecht rekenschap kunnen geven aan God van de talenten, welke hun waren toevertrouwd, die hun goed doorbrengen, boven hun vermogen leven, meer uitgeven en wegschenken dan zij kunnen missen, en aldus in werkelijkheid wegwerpen wat zij hebben, of het tot algeheel verval laten komen.
Luiheid is niet beter. Hij, die traag en nalatig is in zijn werk, wiens handen hangen, dat is de betekenis van het oorspronkelijke die, zoals wij zeggen, met zijn duimen in zijn mond staat, zijn werk veronachtzaamt, het niet doet, of het doet alsof hij het niet deed, is een eigen broeder van de verkwister, hij is een even grote dwaas, en even zeker op weg naar armoede, de een verstrooit wat hij heeft, de ander laat het door zijn vingers glijden. Die opmerking is maar al te waar in de zaken van de Godsdienst. Hij, die beuzelachtig en onverschillig is in het gebed, in het luisteren naar de Evangelieprediking, is een broeder van hem, die in het geheel niet bidt of naar de prediking des Woords luistert, en nalatigheid in plichtsbetrachting is even noodlottig voor de ziel als het bedrijven van zonde.