33. Het lot wordt door ons mensen, schijnbaar naar onze willekeur in den schoot, of in een daartoe gebruikten bak geworpen; maar hoe toevallig de uitkomst ook moge zijn, toch is het zeker, het gehele beleid daarvan is van den HEERE, die als hoogste Rechter alles beslist (
Hoofdstuk 18:18.
Jozua 7:18 ).
Er is geen toeval in de betekenis van onverschilligheid of onbestemdheid, ook daar niet waar de mens dit meent; maar al zijn handelen is van ene hogere leiding der dingen afhankelijk. Zo is dan in deze Spreukenuk de moeielijkste vraag over de verhouding der menselijke vrijheid en de goddelijke noodzakelijkheid op deze wijze beantwoord: dat de mens alleen zijne krachten in ene vrije handeling kan ontwikkelen, maar het gelukken van zijne pogingen moet hij aan het vrije bestuur van God overlaten.
In het algemeen schijnt dit gehele hoofdstuk de spreuk der Wijsheid: (Spreuken 8:15) door Mij regeren de koningen, door te voeren. De Heere regeert alles, terwijl de denkende mens naar eigen oordeel schijnt te handelen. Bewust of onbewust is hij slechts het werktuig des Heeren, die ook daar, waar de mens tegen Zijne geboden handelt, de ontwikkeling en den uitslag van de daden der mensen leidt. Wanneer wij dus erkennen, dat de inrichting van den Staat een werk van God is, dan moeten wij die in ere houden, en met alle kracht beschermen, haar, omdat God het wil, gaarne gehoorzamen, en den Heere, die haar staande houdt, daarvoor hartelijk danken. Want wij weten, dat de toorn des duivels en der mensen, die deze ordening zoekt te ondermijnen, den Heere een gruwel is.
Hierdoor wordt het werpen van het lot niet gesanctioneerd, maar de Spreuken-dichter wil zeggen, dat als het lot wordt geworpen, het de Heere is, van wien het beleid is. In de Wet komt slechts eenmaal het werpen van het lot als bewijsmiddel voor (Numeri 5:12-31).