3. Het aannemen van de openbaring Gods en Zijne zaligheid zal ene gehele omkering in het leven der heidenen te weeg brengen. Zij zullen hun twisten niet meer met het zwaard beslissen, maar den Heere, den door hen aangenomen God, zullen zij als hunnen Heere en Koning erkennen. En Hij zaldoor Zijn heilig woord en Zijne dienaren, onder grote tussen vele volken richten, als Rechter beslissen, en machtige Heidenen straffen het recht spreken tot verre toe, den vrede stichten 1); en zij zullenten gevolge daarvan hun zwaarden, met welke zij elkaar zolang zij God en Zijn heilig recht niet kenden, versloegen, slaan tot spaden, tot werktuigen van vreedzame, Gode welgevallige bebouwing van den aardbodem, en hun spiesen tot sikkelen. Het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, om zich zelven recht te verschaffen, of ook het andere onrechtvaardig aan te vallen en ter neer te slaan, en zij zullenbovendien den krijg niet meer leren, zich niet meer in den wapenhandel oefenen, noch zich op krijgskunst toeleggen 2).
1) Het is er tegenwoordig nog wel ver van af, dat het recht onder de Christelijke volken de zuivere uitdrukking van het goddelijk recht zou zijn, zo als het toch moest zijn. In het begin der geschiedenis van een bekeerd heidenvolk is het wel zo, als hier voorzegd wordt. Hoe meer zich echter het volk van het Goddelijk leven afkeert, des te meer verwijdert zich ook het onder hen geldende recht en zijne rechtspleging van het in Gods woord gegeven recht, zodat onze profetie alleen in `t private leven der ware christenen binnen de ware kerk tot vervulling is gekomen. In het openbare leven zal het eerst dan zo worden, wanneer de scheiding tussen gelovigen en huichelaars is voltooid, en daarmee het einde der strijdende kerk zal gekomen zijn.
Is iemand in de Heilige Schrift zo geheel onervaren, dat hij dezen tekst zo wil verklaren, dat een Christen gene wapenen mag dragen, of ze niet mag gebruiken, die keert zeer dwaas de gehele bedoeling van den Profeet om. Hij ontneemt dit woord aan het geestelijke rijk van Christus, en draagt het op het stoffelijk rijk over, dat doet hij tegen dat duidelijk woord in, dat aan de wereldlijke Overheid den plicht oplegt, om hare onderdanen voor het onbillijke geweld te beschermen en den algemenen vrede te helpen bewaren.
Dat de eerste Christenen deze voorzegging van Micha juist hebben verstaan en op zich toegepast, bewijzen de woorden van Justinus, den martelaar. Zo velen wij uit de wet en het van Jeruzalem door de Apostelen uitgegane woord tot het geloof zijn gekomen, en bij den God Jakobs en Israëls toevlucht hebben gevonden, vervuld tot nu toe met oorlog en moord en alle boosheid, hebben zij overal de wapenen des krijgs in werktuigen des vredes veranderd, en beoefenen vroomheid, gerechtigheid, menschenliefde, geloof, hoop.