Spreuken 14:28
Hier zijn twee grondbeginselen van staatkunde, die zichzelf bewijzen.
1. Dat het grotelijks tot eer en heerlijkheid strekt van een koning om over een volkrijk koninkrijk te heersen, het is een teken dat hij goed regeert, daar vreemdelingen er toe aangelokt worden om zich in zijn rijk en onder zijn bescherming te vestigen, en zijn eigen onderdanen in vrede en welvaart leven, het is een teken dat hij en zijn rijk onder de zegen Gods zijn, waarvan de uitwerking is vruchtbaar te zijn en vermenigvuldigd te worden. Het is zijn sterkte, geeft hem aanzien, maakt hem geducht, gelukkig de koning, de vader zijns lands die zijn pijlkoker met pijlen gevuld heeft, hij zal niet beschaamd worden, als hij met zijn vijanden zal spreken in de poort, Psalm 127:4, 5. Daarom is het de wijsheid van vorsten, om door een milde en zachte regering, door handel en landbouw aan te moedigen, en door aan allen een gerust leven onder hen te doen hebben, de toeneming huns volks te bevorderen. En laat allen, die het goed menen met het koninkrijk van Christus en met Zijn eer en heerlijkheid doen wat zij kunnen om te bevorderen, dat velen aan Zijn kerk zullen toegevoegd worden.
2. Dat, als het volk vermindert, de vorst verzwakt wordt, in gebrek aan volk is des vorsten magerheid, zo lezen het sommigen, de handel staat stil, de grond ligt onbebouwd, het leger heeft gebrek aan recruten, de vloot aan bemanning, en dat alles, omdat er geen mensen genoeg zijn. Zie hoe grotelijks de eer en de veiligheid van koningen afhangen van hun volk, hetgeen een reden is, waarom zij behoren te regeren door liefde, en niet door geweld of hardheid. Vorsten worden getuchtigd door de oordelen, die het getal hunner onderdanen verminderen, zoals wij zien in 2 Samuël 13:24.