2 Samuël 13:21-29
Wat Salomo zegt van het begin des krakeels, is even waar van het begin van alle zonde, het is een opening geven aan het water, als de sluisdeuren eenmaal weg zijn, dan volgt een overstroming, het ene kwaad brengt het andere voort, en het is moeilijk te zeggen wat er het einde van zijn zal.
I. Hier wordt ons gezegd dat David zeer vertoornd was wegens de zonde van Amnon, hij ontstak zeer, vers 21. Hij had er wel reden toe, daar zijn eigen zoon zich aan zo'n gruwel heeft schuldig gemaakt, en er hemzelf in behulpzaam had doen zijn. Het zal een smaad wezen voor hem, dat hij hem geen betere opvoeding had gegeven, het zal een smet wezen op zijn gezin, het ongeluk van zijn dochter, een slecht voorbeeld voor zijn koninkrijk, en een onrecht aan de ziel zijns zoons. Maar was het genoeg, dat hij toornig was? Hij had er zijn zoon voor moeten straffen, hem openlijk schande moeten aandoen, beide als vader en als koning had hij er de macht toe. Maar de Septuaginta voegt er hier deze woorden aan toe: "Doch hij bedroefde het hart van zijn zoon Amnon niet, want hij had hem lief, omdat hij zijn eerstgeborene was." Hij verviel in Eli's dwaling, wiens zonen zich vervloekt hebben gemaakt, terwijl hij hen niet eens zuur heeft aangezien. Indien Amnon hem dierbaar was, dan zou, als hij hem gestraft had, dit een zoveel groter straf voor hemzelf geweest zijn voor zijn eigen onkuisheid. Maar hij kan de schande niet dragen, waaraan diegenen zich hebben te onderwerpen, die anderen bestraffen voor hetgeen waaraan zij zichzelf schuldig weten, en daarom moet zijn toorn in de plaats komen van zijn gerechtigheid. Hierdoor worden zondaren verhard, Prediker 8:11.
II. Hoe Absalom het opnam. Hij besluit reeds het werk eens rechters te doen in Israël, en daar zijn vader Amnon niet wil straffen, zal hij het doen, niet uit een beginsel van recht en gerechtigheid of ijver voor de deugd, maar van wraakzucht, omdat hij in de mishandeling die zijn zuster had ondergaan, zichzelf beledigd achtte. Hun moeder was de dochter van een heidense vorst, Hoofdstuk 3:3, dat hun misschien soms verweten werd door hun broeders, die dan zeiden dat zij kinderen waren van een vreemde. Absalom dacht dat zijn zuster nu als zo een behandeld was, en als Amnon haar geschikt vond om er een hoer van te maken, dan zal hij hem geschikt vinden om een slaaf van hem te maken, dit bracht hem in woede, en niets minder dan Amnons bloed kan zijn toorn tot bedaren brengen. Wij hebben hier:
1. Het plan geboren. Absalom haatte Amnon, vers 22, en die zijn broeder haat is alrede een doodslager, en is evenals Kaïn uit den boze, 1 Johannes 3:13, 15. Absaloms haat tegen zijns broeders misdaad zou loffelijk geweest zijn, en hij zou hem rechtvaardig door een behoorlijk rechtsgeding hebben kunnen vervolgen, tot een voorbeeld voor anderen, en om aan zijn beledigde zuster enigerlei vergoeding te bezorgen, maar zijn persoon te haten en het plan op te vatten hem te vermoorden, dat was God grotelijks te beledigen, door de overtreding van het zevende gebod te willen goedmaken door het zesde te overtreden, alsof al de geboden niet gelijkelijk heilig waren. Maar: "die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden," Jakobus 2:11.
2. Het plan verborgen gehouden. Hij zei aan Amnon niets van deze zaak, goed noch kwaad, hield zich alsof hij er niets van wist en betoonde hem zijn gewone beleefdheid, maar slechts wachtende op een gunstige gelegenheid om hem een onheil te berokkenen. Die haat is het ergst: a. Die verborgen word gehouden, waaraan geen opening, geen uitweg wordt gegeven. Indien Absalom de zaak met Amnon had besproken, hij zou hem hebben kunnen overtuigen van zijn zonde en hem tot berouw en bekering hebben kunnen brengen, maar daar hij niets zei werd Amnons hart verhard, en werd zijn eigen hart al meer en meer tegen hem verbitterd, daarom is het berispen van onze naaste gesteld tegenover hem in ons hart te haten, Leviticus 19:17.
b. Waaraan men de schijn geeft van vriendschap, zo was die van Absalom, zijn "woorden waren gladder dan boter, maar zijn hart was krijg, " zie Spreuken 26:26.
c. Die lang gekoesterd wordt, twee volle jaren heeft Absalom deze wortel van de bitterheid in zijn hart aangekweekt, vers 23. Misschien had hij niet dadelijk het voornemen zijn broeder te doden, (want indien hij het wel dadelijk van plan was geweest, dan zou hij er wel evengoed de gelegenheid toe gehad hebben als na die twee jaren) hij wachtte slechts op een gelegenheid om hem te schande te maken, of hem op een andere wijze kwaad te doen, maar mettertijd is zijn haat hiertoe gerijpt, dat hij met niets anders tevreden kon zijn, dan hem de dood te veroorzaken. Indien de zon eenmaal ondergegaan zijnde over de toorn, de duivel zoveel plaats geeft als te kennen wordt gegeven in Efeziers 4:26, 27, wat zullen de zonsondergangen van twee volle jaren dan niet doen!
3. Het plan beraamd.
a. Absalom geeft een feestmaal in zijn landhuis, evenals Nabal dit gedaan heeft, bij gelegenheid van het scheren van zijn schapen, vers 23. Hoeveel zorg Absalom ook droeg voor zijn persoon, Hoofdstuk 14:26, en hoe hoog hij zich ook hield, hij kende het aangezicht van zijn schapen, en zette zijn hart op de kudden. Zij, die geen andere zorg hebben omtrent hun goederen op het land, dan hoe ze door te brengen in de stad, slaan de rechte weg in om er spoedig het einde van te zien. Toen Absalom schaapscheerders had, wilde hij zelf er bij wezen.
b. Aan dit feestmaal nodigt hij de koning, zijn vader, en al de prinsen van den bloede, vers 24. Niet slechts om de gelegenheid te hebben hun zijn achting te betonen, maar ook om zich hierdoor meer geëerd te doen zijn onder zijn naburen. Zij, die verwant zijn aan hoge personen, zijn geneigd om zich op die verwantschap te veel te laten voorstaan.
c. De koning wilde niet zelf gaan, omdat hij hem niet op de onkosten wilde jagen van hem te onthalen, vers 26. Absalom schijnt een goed in eigen beheer gehad te hebben, de koning had het hem geschonken, en wilde dat hij het goed en zuinig zou besturen, hierin was hij een voorbeeld voor ouders, om aan hun kinderen, als zij volwassen zijn, een genoegzaam levensonderhoud te geven overeenkomstig hun rang, en dan zorg te dragen dat zij niet boven hun vermogen leven, en inzonderheid zelf er niet toe mee te werken, dat zij dit doen. Jonge lieden, die hun eigen huishouding hebben, doen wijs als zij zo beginnen, dat zij kunnen voortgaan.
d. Absalom kreeg verlof voor Amnon en al de andere zonen des konings, om bij hem aan de maaltijd in zijn landhuis te komen, vers 26, 27. Absalom had zijn vijandschap jegens Amnon zo goed verborgen gehouden, dat David geen reden had om een kwaad opzet jegens hem in die bijzondere uitnodiging te vermoeden. "Laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan," maar de slag zal David zoveel dieper wonden, omdat hij zich liet overhalen om zijn toestemming te geven tot hetgeen er de gelegenheid toe gaf, evenals tevoren, vers 7. Het schijnt dat Davids zonen, hoewel zij volwassen waren, die eerbied aan hun vader bleven betonen, dat zij zo'n kleine reis niet zonder zijn verlof wilden ondernemen. Aldus behoren kinderen, zelfs als zij mannen en vrouwen zijn geworden, hun ouders te eren, hen te raadplegen, en niets van belang te doen of te ondernemen zonder hun toestemming, en nog veel minder tegen hun zin.
4. Het plan ten uitvoer gebracht, vers 28, 29.
A. Absaloms onthaal was zeer gul en ruim want hij wil dat zij allen vrolijk zijn zullen van de wijn, Amnon ten minste zal dit zijn want hij wist, dat deze wel tot overmatig drinken geneigd was. Maar,
B. De order, die hij betreffende Amnon aan zijn dienaren gaf, namelijk dat zij zijn bloed moeten vermengen met de wijn, was zeer barbaars. Indien hij hem had uitgedaagd en, steunende op zijn goede zaak en de gerechtigheid Gods, zelf met hem gestreden had, dan zou dit wel zeer slecht geweest zijn, maar toch meer eerlijk en meer te verontschuldigen (onze aloude wetten hebben in sommige gevallen zo'n gevecht als Godsgericht toegestaan), maar hem te vermoorden, zoals hij gedaan heeft, dat was Kaïns voorbeeld volgen, waarin alleen de oorzaak verschillend was, Abel werd gedood omdat hij rechtvaardig was, Amnon werd gedood om zijn goddeloosheid. Let op de verzwaringen dier zonde.
a. Hij wilde Amnon doden, als zijn hart vrolijk was van de wijn en hij bijgevolg niet het minst aan gevaar dacht en het minst instaat was om weerstand te bieden, en ook het minst geschikt was om uit de wereld te gaan, alsof zijn boosaardige haat bedoelde beide ziel en lichaam te verderven hem geen tijd gevende om te zeggen: Here, wees mij genadig. Welk een ontzettende verrassing is de dood geweest voor velen, wier hart bezwaard was met brasserij en dronkenschap!
b. Zijn dienaren moeten gebruikt worden om dit te doen, en aldus betrokken worden in de schuld. Hij moest het woord van bevel geven: Slaat Amnon, en dan moeten zij in gehoorzaamheid aan hem en in het vertrouwen dat zijn gezag hen tegen vervolging zal beschermen, hem doden. Hoe goddeloos tart hij de Goddelijke wet als hij, terwijl het gebod Gods uitdrukkelijk zegt: Gij zult niet doodslaan, hun gebiedt Amnon te doden, op die volmacht: Is het niet dat ik het u geboden heb? Dit is genoeg. Zijt sterk, weest dapper, en vreest God noch de mensen." Die dienstknechten zijn slecht onderwezen (en hebben slechte meesters) die gehoorzamen in tegenspraak met God. Diegenen zijn al te gedienstig, die hun ziel aan de verdoemenis prijsgeven, om hun meesters te believen, wier grote woorden hen niet tegen Gods toorn kunnen beschermen. Meesters moeten altijd hun dienstknechten gebieden, als die weten, dat zij zelf een Meester hebben in de hemel.
c. Hij deed het in de tegenwoordigheid van al de zonen des konings, van wie gezegd is, Hoofdstuk 8:18, dat zij hoofdofficieren waren, zodat het een belediging was van de openbare gerechtigheid, waarvan zij de bestuurders waren, en van de koning, zijn vader, wiens vertegenwoordigers zij waren, en een minachting van het zwaard, dat een schrik had moeten wezen voor zijn slechte daden terwijl zijn slechte daden integendeel een schrik waren voor hen, die het droegen.
d. Er is reden te vermoeden dat Absalom dit deed, niet alleen om de twist van zijn zuster te wreken, maar om voor zichzelf plaats te maken op de troon, waarnaar zijn eerzucht uitging, en waarop. hij goede kansen had, als Amnon, de oudste zoon, uit de weg was. Toen het woord van bevel gegeven was, bleven Absaloms dienstknechten niet in gebreke het uit te voeren, daar zij ondersteund werden door de mening, dat hun meester, nu de naaste erfgenaam zijnde van de kroon, (want Chileab was dood, naar bisschop Patrick onderstelt) hen wel voor kwaad zou behoeden. Nu wordt in Davids huis het zwaard getrokken, dat, naar luid van de bedreiging, er niet meer van zal wijken.
Ten eerste. Zijn oudste zoon valt er door, er zelf door zijn goddeloosheid de oorzaak van zijnde, terwijl zijn vader door zijn oogluiking van het kwaad er medeplichtig aan is.
Ten tweede. Al zijn zonen vluchten er voor, en komen verschrikt tehuis, niet wetende hoe ver het bloedig plan van hun broeder Absalom zich zou uitstrekken. Zie welk een kwaad door de zonde in een gezin wordt aangericht.