11. Goed van ijdelheid gekomen, a) zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
a) Spreuken 10:2; 20:21.
Kwalijk verkregen rijkdom zal niet gedijen, maar eerlijk verkregen goed duurt het langst.
Hier is de diepe, door de dagelijkse ervaring uitgesprokene waarheid bevestigd, dat op datgene, dat zonder arbeid in het zweet des aangezichts, dat zonder de goddelijke roeping, op ene lichtzinnige, onbedachtzame wijze, zonder gebed en alzo zonder God spoedig en gemakkelijk verworven is, de vloek van God rust, waardoor het even snel weer verloren gaat als het gekomen is, hetzij door slagen van het ongeluk, of door nieuwe zonden. Daarentegen, datgene, wat men in het door God aangewezen beroep met inspanning en arbeid, langzaam en moeilijk verwerft, en slechts met kleine sommen tegelijk verzamelt, dat blijft, omdat het met den eeuwigen God is verworven, en het vermeerdert, omdat Zijn zegen daarop rust..
Zo gewonnen, zo geronnen. Onrecht goed gedijt niet. Jong gespeeld, oud gebedeld. 12. De uitgestelde hoop krenkt het hart, ja maakt het zelfs ziek; maar wanneer de begeerte die men gekoesterd heeft, tot vervulling komt, dan is zij een boom des levens, 1) die aan het zieke hart spoedig weer nieuwe kracht en nieuw leven geeft (Vers 19).
1) Daarom vervel uw hart niet met hoop, die u slechts ijdele verwachting doet koesteren, en eindelijk verdwijnt; maar berust in de hoop, die God in Zijn Woord geeft, dan moet zij wel vervuld worden.
Stel uwe hoop niet op iets, dat ijdel, onzeker en vergankelijk is, maar op het onvergankelijke en eeuwige, op God en Zijn woord. Kinderen Gods moeten dikwijls lang onder het kruis op hun redding hopen; maar wanneer zij eindelijk komt, is zij hun zo verkwikkend en aangenaam, dat zij terstond op nieuw beginnen te leven.
Niets is smartelijker dan de teleurstelling van ene vleiende en gegronde verwachting, `t zij door de zaak zelf ons geweigerd of dezelve toebrenging eniglijk voor een tijd uitgesteld wordt. Zulk een uitstel krenkt het harte, doet het kwijnen en maakt het gemelijk en knorrig. Dus wordt het hart ziek, terwijl de ganselijk terneer gevelde hope het doodt en ter neer smakt, hoe strelender het vooruitzicht was. Wijselijk doen wij derhalve, als wij ons niet veel van de schepselen beloven, er luttel op steunen en de wereld wantrouwen. Dit zal ons voor veel kwelling bewaren..
De Spreuken-dichter heeft hier het oog op den boom des levens in het Paradijs, die de kracht en het leven voor inzinking en wegsterven vrijwaarde, die den mens nieuwe kracht en nieuwen levenslust en levensmoed schonk.