19. Wanneer aan de begeerte, die wij in onze harten koesteren, voldaan wordt, en ons geschiedt, wat wij verlangen, is dit zoet voor de ziel; maar dikwijls gaat de lust van het hart uit naar zonde en verboden genot; men onderdrukke dan ook die begeerte in hare eerste beginselen, opdat met den lust niet de zonde ontsta, en men aan de dwazen gelijk wordt; het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken; zij kunnen hun boze lusten niet opgeven, maar koesteren en voeden die in hun hart, en gaan, wanneer zij daartoe gelegenheid hebben, tot de zonde over.
Bij elk mens is ene sterke begeerte naar geluk, en God heeft gezorgd, dat deze begeerte vervuld wordt, en dat geeft ene aangename gewaarwording aan de ziel; maar de zinnelijke genoegens voldoen alleen de vleselijke lusten. Voor de zotten is het een gruwel, het kwade te verlaten. Nimmer zullen deze enige aangenaamheid in hun zielen ontwaren, die er niet van overtuigd willen worden, dat zij hun zonden moeten nalaten..