Spreuken 12:7
Hier wordt ons geleerd, zoals tevoren in vers 3, en in Hoofdst. 10:25, 30:
1. Dat het gejuich van de goddelozen van korte duur is, zij kunnen voor een wijl verheven zijn, maar binnen weinig tijds worden zij ternedergeworpen, omgekeerd, en zij, die zo'n grote vertoning maakten, verdwijnen, hun plaats kent hen niet meer. Keer de goddelozen om, en zij zijn niet, zij staan op zo'n glibberige plaats, dat de minste aanraking van leed of moeite hen naar beneden brengt, zoals Sodomsappelen, die er fraai uitzien, maar als men ze aanraakt, tot stof worden.
2. Dat de voorspoed van de rechtvaardigen een goede bodem heeft en duurzaam is. De dood zal hen wegnemen, maar hun huis zal bestaan, hun gezin zal in stand blijven, en het geslacht van de oprechten zal gezegend zijn.