Spreuken 5:1-14
I. Wij hebben hier: een plechtige inleiding tot de waarschuwing, die zal volgen, vers 1, 2. Salomo wendt zich hier tot zijn zoon, dat is: tot alle jonge mannen als tot zijn eigen kinderen, die hij liefheeft en op wie hij invloed heeft. In de naam Gods eist hij aandacht, want hij schrijft door Goddelijke ingeving, en is een profeet, al begint hij zijn toespraak niet met een: Zo zegt de Heere.
Merk op, en neig uw oor, hoor niet slechts wat gezegd wordt, en lees niet slechts wat geschreven is, maar geef er uw hart, uw aandacht aan, en denk er zorgvuldig over na. Om die aandacht te verkrijgen, wijst hij:
1. Op de voortreffelijkheid van zijn rede: het is mijn wijsheid, het is mijn verstand, als ik het onderneem om u wijsheid te leren, kan ik niets voorschrijven, dat meer terecht aldus genoemd kan worden, zedelijke wijsbegeerte is mijn wijsbegeerte, en die in mijn school geleerd kan worden.
2. De nuttigheid ervan:, Let op hetgeen ik zeg.
a. Opdat gij verstandelijk handelt, opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt. Salomo's lessen zijn niet bedoeld of bestemd om ons hoofd te vullen met denkbeelden, met stof tot spitsvondige redeneringen of bespiegelingen of twistige samensprekingen, maar om ons te leiden in de heerschappij over onszelf, opdat wij handelen met bedachtzaamheid, gelijk het ons betaamt en aan onze wezenlijke belangen bevorderlijk zijn zal.
b. Opdat gij spreekt met verstand, en uw lippen wetenschap bewaren, zodat gij haar gereed bij de hand hebt tot voordeel en nut van hen, met wie gij spreekt. De lippen des priesters worden gezegd wetenschap te bewaren, Maleachi 2:7, maar zij die machtig zijn in de Schriften, kunnen niet slechts in hun Godsdienstige verrichtingen, maar ook in hun gesprekken, geestelijke priesters zijn.
II. De waarschuwing zelf, en die is: ons te onthouden van vleselijke lusten, van overspel hoererij en alle onreinheid. Sommigen passen het toe in overdrachtelijke zin, en onder de overspelige vrouw verstaan zij hier afgoderij, valse leerstellingen, die de strekking hebben om der mensen geest te verderven, of de zinnelijke lusten, waarop het even goed als op iets anders toegepast kan worden, maar de oorspronkelijke bedoeling is duidelijk ons te waarschuwen tegen overtreding van het zeverde gebod, waartoe de jeugd zo geneigd is, de verzoekingen waarvan zo heftig zijn, de voorbeelden waarvan zo menigvuldig zijn, en die, als er aan wordt toegegeven, zo verwoestend zijn voor alle zaden van deugd in de ziel. En het is niet vreemd dat Salomo's waarschuwingen er tegen zo dringend zijn en zo dikwijls herhaald worden.
Als een getrouwe wachter geeft Salomo hier aan allen een getrouwe waarschuwing, om, als zij hun leven en welzijn liefhebben, deze zonde te vrezen, want zij zal gewis hun verderf zijn. Wij worden hier gewaarschuwd, om voor twee dingen op onze hoede te zijn.
1. Dat wij niet luisteren naar de bekoring van deze zonde. Het is waar: de lippen van de vreemde vrouw druppen honingzeem, vers 3, de genietingen van de vleselijke lusten zijn zeer verlokkend (zoals de wijn, die zijn verf geeft in de beker en recht opgaat) en haar gehemelte is gladder dan olie, opdat de giftige pijl glad naar beneden ga, en er geen verdenking zij van kwaad. Maar bedenk:
A. Hoe noodlottig de gevolgen zullen zijn, hoe bitter de vrucht zal wezen, die de zondaar heeft van zijn honingzeem en olie als het einde daar is.
a. De verschrikkingen van het geweten, die zijn bitter als alsem, vers 4, wat zoet was in de mond, wordt zuur in de maag, bij nadenken snijdt het als een tweesnijdend zwaard, dat naar alle kanten wondt. Salomo kon spreken uit ervaring, Prediker 7:26.
b. De pijniging van de hel. Indien sommigen, die zich schuldig gemaakt hebben aan deze zonde, zich er van bekeerd hebben en behouden werden, is toch de directe strekking dier zonde het verderf van lichaam en ziel, haar voeten dalen naar de dood, ja haar treden houden de hel vast, om haar naar de zondaar heen te trekken, alsof de verdoemenis al te lang sluimerde, vers 5. Aan hen, die in deze zonde verstrikt zijn, moet herinnerd worden, dat er tussen hen en de hel maar een schrede is, en dat zij op het punt zijn van er in neer te storten
B. Bedenk hoe vals deze bekoringen zijn. De overspeelster vleit en spreekt fraaie woorden, haar woorden zijn honing en olie, maar die naar haar luisteren zal zij bedriegen, haar gangen zijn ongestadig, dat gij het niet merkt, zij verandert dikwijls haar vermomming, en neemt een grote verscheidenheid van valse kleuren aan, omdat ze, als zij goed gekend wordt, gewis gehaat wordt. Evenals Proteus neemt zij allerlei gedaanten aan, ten einde in gunst te blijven bij hen, op wie zij het gemunt heeft. En wat is met al die kunstenarijen haar bedoeling? Niets anders dan hen er van terug te houden het pad des levens te wegen, want zij weet dat zij, zo zij er toe komen om dat te doen, hen zeker zal verliezen. Diegenen zijn onbekend met de gedachten van Satan, die niet begrijpen dat de grote zaak, die hij met al zijn verzoekingen beoogt, is:
a. Hen er van terug te houden om het pad des levens te kiezen te voorkomen dat zij Godsdienstig zijn en naar de hemel gaan, opdat hij, zelf van de gelukzaligheid buitengesloten zijnde, hen er ook van kan buitensluiten.
b. Hen te dien einde er van af te houden het pad des levens te wegen, te bedenken hoe redelijk het is dat ze op dat pad wandelen, en hoezeer dit in hun voordeel zou wezen. Tot eer van de Godsdienst zij opgemerkt, dat deze gewis zijn doel zal bereiken bij allen, die slechts de vrijheid willen nemen om ernstig na te denken, en de dingen met onpartijdigheid in een rechte weegschaal willen wegen, en dat de duivel geen ander middel heeft om de mensen in zijn belangen te krijgen, dan door hen voortdurend met allerlei vermaken af te leiden van het kalme en sobere bedenken van hetgeen tot hun vrede dient. En onkuisheid is een zonde, die even sterk als wat het ook zij, het verstand benevelt, het geweten toeschroeit, en de mensen er van afhoudt om het pad des levens te wegen. Hoererij neemt het hart weg, Hosea 4:11.
2. Dat wij tot de grenzen van deze zonde niet moeten naderen, vers 7, 8. Deze waarschuwing komt met een plechtige inleiding: "Nu dan, gij kinderen, wie gij ook zijt, die deze regels leest of hoort, hoort naar mij, let op hetgeen ik zeg, en mengt er geloof mede, bewaart het, en wijkt niet van de redenen mijns monds, zoals diegenen doen, die luisteren naar de woorden van de vreemde vrouw. Neemt hetgeen ik zeg niet slechts aan voor het ogenblik maar blijft er bij, en hebt het bij de hand, en laat het van gewicht voor u zijn, als gij op het heftigst door de verzoeking wordt aangevallen. De waarschuwing zelf is zeer dringend. Maak uw weg verre van haar) indien uw weg soms in haar nabijheid mocht zijn, en er zich een voorwendsel voor u opdoet, om door zaken te doen binnen het bereik van haar bekoring te komen, dan moet gij uw weg veranderen, er een andere richting aan geven, veeleer dan u aan gevaar bloot te stellen. Nader niet tot de deur van haar huis, ga aan de overzijde van de straat, ga door een andere straat, al is dit ook een omweg voor u. Dit geeft te kennen:
A. Dat wij een grote vrees voor en een sterke verfoeiing van die zonde moeten hebben. Wil moeten haar vrezen, zoals wij vrezen zouden voor een plaats, die door de pest is besmet, wij moeten haar verafschuwen, zoals wij een kreng verafschuwen waar wij niet bij willen komen. Wij zullen dan waarschijnlijk onze reinheid bewaren, als wij een ingewortelde afkeer hebben van alle vleselijke lusten.
B. Dat wij zeer zorgvuldig alles moeten vermijden, dat een aanleiding of gelegenheid kan wezen voor deze zonde, of er een stap nader toe brengen kan. Zij, die voor kwaad bewaard willen worden, moeten het kwaad uit de weg blijven. Er is in de verdorven natuur zoveel tonder, dat het waanzin is om onder enigerlei voorwendsel dicht bij de vonken te komen. Als wij ons in verzoeking begeven, dan hebben wij met God gespot toen wij baden: Leid ons niet in verzoeking.
C. Dat wij met een Godvruchtige ijver over onszelf moeten ijveren, en niet zo vast moeten vertrouwen op de kracht van eigen voornemens en besluiten, dat wij ons aan de rand van de zonde wagen met de belofte aan onszelf, dat wij tot hiertoe zullen komen en niet verder. Dat wij al wat een strik en een aanleiding tot zonde voor ons is geworden, al zou het ook als een rechteroog en een rechterhand zijn, moeten uitrekken en afhouwen en van ons werpen, moeten scheiden van hetgeen ons het dierbaarst is, veeleer dan onze eigen ziel in de waagschaal te stellen. Dat is het gebod van onze Heiland, Mattheus 5:28-30.
De argumenten, die Salomo aanvoert, om aan deze waarschuwing kracht bij te zetten, zijn ontleend aan dezelfde opmerkingen als tevoren, namelijk het vele kwaad, dat door die zonde teweeg wordt gebracht.
a. "Zij vernietigt onze eer en goede naam. Gij geeft uw eer aan anderen, vers 9. Gij zult haar zelf verliezen, gij zult aan ieder uwer naburen een steen in de hand geven om op u te werpen, want allen zullen zij met recht en rede schande over u roepen, u verachten en vertreden als een dwaas." Hoererij is een zonde, die de mensen verachtelijk en laag maakt, en geen man van verstand en deugd zal gaarne in het gezelschap zijn van iemand, die gezelschap houdt met hoeren.
b. "Zij verwoest de tijd, geeft de jaren, de jaren van de jeugd, de bloem van des mensen tijd, de wrede, aan deze uw lage lust, die met de uiterste wreedheid krijg voert tegen de ziel, die laaghartige hoer, die genegenheden voor u voorwendt, maar in werkelijkheid de kostelijke ziel, dat is, het kostelijk leven, jaagt." Deze jaren, die aan de eer van een genadig God moesten gegeven zijn, worden doorgebracht in de dienst van een wrede zonde.
c. "Zij ruïneert de bezitting, vers 10. Vreemden verzadigen zich van uw vermogen, dat u toevertrouwd werd, om het als rentmeester te beheren voor uw gezin, en de vrucht van uw arbeid, die in de behoefte van uw eigen huis moet voorzien, zal in het huis des onbekenden komen, die er noch recht op heeft noch er u ooit dankbaar voor zal zijn."
d. Zij is verwoestend voor de gezondheid en verkort de dagen van de mensen uw vlees en uw lijf zullen er door verteerd worden," vers 11. De lusten van de onreinheid voeren niet slechts krijg tegen de ziel, die de zondaar veronachtzaamt, en waarover hij in geen zorg is, maar voeren ook krijg tegen het lichaam, waaraan hij zo toegeeft, en waarvoor hij zo in zorg is om het te behagen en te vertroetelen, zo bedrieglijk, zo dwaas en zo schadelijk zijn deze lusten. Zij, die zich overgeven om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven, verwoesten hun kracht, werpen zich in zwakheid, en dikwijls zal hun lichaam vol zijn van walglijke kwalen, waardoor het getal hunner maanden in het midden wordt afgesneden, en zij de onbeklaagde slachtoffers worden van een wrede lust.
e. Indien ooit het geweten ontwaakt, zal zij de geest vervullen van afgrijzen. Hoewel gij thans vrolijk zijt, weelderig zijt in uw bedriegerijen, zult gij toch in uw laatste brullen, vers 11. Al die tijd maakt gij werk voor berouw, hoopt gij de oorzaken op voor kwelling en pijniging bij het nadenken, als u de zonde in haar eigen kleuren wordt voorgesteld. Vroeg of laat zal zij u smart brengen, hetzij wanneer de ziel verootmoedigd is en tot bekering is gekomen, of wanneer vlees en lijf verteerd zijn, hetzij door ziekte, als het geweten de zondaar weerstaat, of door het graf als het lichaam daar wegrot, dan is de ziel in de pijniging van de hel waar de worm niet sterft, en het: "Kind, gedenk" het voortdurend geroep is.
Salomo stelt hier de overtuigde zondaar voor, zich verwijtingen doende, en zijn dwaasheid verzwarende. Dan zal hij het zeer bitter betreuren:
Ten eerste. Dat hij, omdat hij het haatte om verbeterd te worden, het haatte om ingelicht te worden, het niet kon verdragen om op zijn plicht te worden gewezen. (Hoe heb ik niet alleen de tucht van het onderwijs gehaat, maar ook het onderwijs zelf, hoewel het geheel en al waar en goed was.) Of om op zijn fouten en gebreken te worden gewezen: hoe heb ik de tucht gehaat, en heeft mijn hart de bestraffing versmaad, vers 12. Hij moet wel erkennen dat zij, die het opzicht over hem hadden, ouders, leraren, hun plicht aan hem gedaan hadden, zij zijn zijn leermeesters geweest, hadden hem goede raad gegeven en getrouwelijk gewaarschuwd, vers 13, maar tot zijn eigen schande zegt hij het en daarin rechtvaardigt hij God voor al de ellende, die over hem gekomen is hij had hun raad niet aangenomen, is hunner stem niet gehoorzaam geweest, want hij heeft zijn oor niet geneigd tot zijn leraars, nooit acht geslagen op hetgeen zij zeiden, er de indruk niet van willen ontvangen. Zij, die een goede opvoeding hebben ontvangen en er niet naar leven, zullen eenmaal zeer veel te verantwoorden hebben. En zij, die thans niet willen gedenken aan hetgeen hen geleerd was, om er zich naar te gedragen, zullen het moeten gedenken als een verzwaring van hun zonde, en bijgevolg van hun verderf.
Ten tweede. Dat door de menigvuldige daden van de zonde de gewoonte ervan zo ingeworteld en bevestigd was, dat zijn hart er volkomen toe gezet was om haar te bedrijven, vers 14. Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden van de gemeente en de vergadering. Als hij in de synagoge kwam, of in de voorhoven van de tempel, om met de andere Israëlieten God te aanbidden, was zijn onrein hart vol van wellustige gedachten en begeerten, en waren zijn ogen van overspel. Eerbied voor de plaats en het gezelschap en voor het werk, dat gedaan werd kon hem niet in bedwang houden, hij was daar bijna even goddeloos en snood als overal elders. Aan een ontwaakt geweten zal geen zonde meer schrikkelijk voorkomen dan ontheiliging van het heilige, en geen verzwaring van de zonde zal haar meer uitermate zondig maken dan de plaats waarmee wij geëerd zijn in de gemeente en de vergadering, en de voorrechten, die wij daar genieten. Zimri en Kozbi hebben hun eerloosheid getoond "voor de ogen van Mozes en voor de ogen van de gehele vergadering," Numeri 25:6 en het overspel in het hart is even open en bloot voor God, en moet wel even aanstotelijk voor Hem zijn, als wij in Godsdienstige verrichtingen tot Hem naderen. Ik was in alle kwaad in trotsering van de magistraten en de rechters en hun vergaderingen, zo verstaan het sommigen. Anderen brengen het in verband met het kwaad van straf, niet van het kwaad van de zonde. "ik werd tot een voorbeeld gesteld, een schouwspel voor de wereld, ik ben onder bijna alle Gods oordelen geweest in het midden van de gemeente van Israël, tot een teken gesteld, opstaande, schreeuw ik in de gemeente Job 30:28. Laat datgene vermeden worden hetwelk later zo berouwd zal moeten worden.