Spreuken 10:7
Beiden de rechtvaardigen en de goddelozen moeten sterven als hun dagen vervuld zijn, in het graf is er tussen hun lichamen geen zichtbaar verschil, in de wereld van de geesten is er tussen hun zielen een zeer groot onderscheid, en dat is er ook, of behoort er te wezen, tussen hun nagedachtenis.
1. Als Godvruchtigen zijn heengegaan, wordt er goed van hen gesproken, en er behoort ook goed van hen gesproken te worden, dat is een van de zegeningen, die op het hoofd van de rechtvaardige komen, zelfs als zij hun hoofd hebben neergelegd. Gezegende mensen laten een gezegende gedachtenis van zich na.
a. Het maakt een deel uit van de waardigheid van de heiligen, inzonderheid van hen, die uitmunten in deugd en in zeer hoge mate nuttig zijn voor anderen, dat zij met eerbied worden herdacht als zij gestorven zijn, hun goede naam, hun naam bij goede mensen vanwege goede dingen, is dan in zeer bijzondere zin als goede olie, Prediker 7:1. Hen, die God eren, zal Hij aldus eren, Psalm 112:3, 6, 9. Door het geloof hebben de ouden getuigenis bekomen, Hebreeën 11:2, en gestorven zijnde, wordt er nog van hen gesproken.
b. Het behoort tot de plicht van de overlevenden, laat de gedachtenis van de rechtvaardigen in zegening zijn, aldus lezen het de Joden, en zij nemen het waar als een gebod, geen uitnemend rechtvaardige die gestorven is, noemende, zonder er bij te voegen: Zijn nagedachtenis zij gezegend. Het moet ons een genot en verlustiging zijn, om op eervolle wijze melding te maken van Godvruchtige mensen, die gestorven zijn, God voor hen te loven, en voor Zijn gaven en genade, die in hen geschitterd hebben, en inzonderheid moeten wij navolgers van hen zijn in hetgeen goed is.
2. Slechte mensen worden vergeten, en zullen vergeten worden, of er zal met minachting van hen gesproken worden. Als hun lichaam wegrot in het graf, zal ook hun naam verrotten. Het kan zijn dat hij in het geheel niet bewaard blijft, maar in vergetelheid wordt begraven. Er kan geen goeds van hen gezegd worden, en daarom is het de grootste vriendelijkheid, die men hun kan bewijzen, om maar niets van hen te zeggen, of wel zij zullen verfoeid worden, vermeld worden met de grootste afschuw, en deze regel van de ere: "De mortuis nil nisi bonum, zeg niets tot nadeel van de doden," zal hen niet beschermen. Waar de goddeloosheid algemeen bekend was, en wel vermeld moet worden, moet er met de grootste afschuw van worden gesproken. Spreuken 10:7
Beiden de rechtvaardigen en de goddelozen moeten sterven als hun dagen vervuld zijn, in het graf is er tussen hun lichamen geen zichtbaar verschil, in de wereld van de geesten is er tussen hun zielen een zeer groot onderscheid, en dat is er ook, of behoort er te wezen, tussen hun nagedachtenis.
1. Als Godvruchtigen zijn heengegaan, wordt er goed van hen gesproken, en er behoort ook goed van hen gesproken te worden, dat is een van de zegeningen, die op het hoofd van de rechtvaardige komen, zelfs als zij hun hoofd hebben neergelegd. Gezegende mensen laten een gezegende gedachtenis van zich na.
a. Het maakt een deel uit van de waardigheid van de heiligen, inzonderheid van hen, die uitmunten in deugd en in zeer hoge mate nuttig zijn voor anderen, dat zij met eerbied worden herdacht als zij gestorven zijn, hun goede naam, hun naam bij goede mensen vanwege goede dingen, is dan in zeer bijzondere zin als goede olie, Prediker 7:1. Hen, die God eren, zal Hij aldus eren, Psalm 112:3, 6, 9. Door het geloof hebben de ouden getuigenis bekomen, Hebreeën 11:2, en gestorven zijnde, wordt er nog van hen gesproken.
b. Het behoort tot de plicht van de overlevenden, laat de gedachtenis van de rechtvaardigen in zegening zijn, aldus lezen het de Joden, en zij nemen het waar als een gebod, geen uitnemend rechtvaardige die gestorven is, noemende, zonder er bij te voegen: Zijn nagedachtenis zij gezegend. Het moet ons een genot en verlustiging zijn, om op eervolle wijze melding te maken van Godvruchtige mensen, die gestorven zijn, God voor hen te loven, en voor Zijn gaven en genade, die in hen geschitterd hebben, en inzonderheid moeten wij navolgers van hen zijn in hetgeen goed is.
2. Slechte mensen worden vergeten, en zullen vergeten worden, of er zal met minachting van hen gesproken worden. Als hun lichaam wegrot in het graf, zal ook hun naam verrotten. Het kan zijn dat hij in het geheel niet bewaard blijft, maar in vergetelheid wordt begraven. Er kan geen goeds van hen gezegd worden, en daarom is het de grootste vriendelijkheid, die men hun kan bewijzen, om maar niets van hen te zeggen, of wel zij zullen verfoeid worden, vermeld worden met de grootste afschuw, en deze regel van de ere: "De mortuis nil nisi bonum, zeg niets tot nadeel van de doden," zal hen niet beschermen. Waar de goddeloosheid algemeen bekend was, en wel vermeld moet worden, moet er met de grootste afschuw van worden gesproken.