2. Want doordat zij in zo'n geloof stonden, dat zeker geen geloof meer zijn zou als het niet datgene was wat zo-even gezegd is, hebben de ouden, de vaderen, ten tijde van het Oude Testament (
hoofdstuk 1:1), door hetgeen de Schrift van hen vertelt, een getuigenis gekregen dat God in hen welbehagen had (
hoofdstuk 10:38) en zij de belofte beërven zouden (
hoofdstuk 6:12).
Het is duidelijk dat de schrijver het geloof niet alleen wil beschrijven naar zijn eigenschappen en openbaringen, maar hij wil zeggen waarin het wezen van het geloof bestaat; nu moet men om zijn definitie juist te beoordelen, twee zaken in aanmerking nemen. Men mag namelijk ten eerste niet onopgemerkt laten dat de schrijver niet het karakteristieke wezen van het christelijk geloof wil voorstellen, maar alleen een geheel algemeen geloofsbegrip wil geven, dat evenzeer van toepassing is op het geloof door de vromen van het Oude Verbond en door de aartsvaders betoond, als op het geloof van de christenen. Vervolgens moet men opmerken dat de schrijver in het algemeen volgens het doel en het verband van onze tekst het geloof, geheel afgezien van een bepaald geloofsobject, wilde definiëren: het is de subjectieve kant van het geloof die hier wordt beschouwd. De schrijver wil alleen in zijn definitie voorstellen het geloof, zoals het te allen tijde en bij de meest onderscheiden inhoud van het geloof altijd gelijk blijft, de waarde, de zedelijk godsdienstige betekenis, de leven gevende aard van het geloof, in zoverre deze een bepaalde richting van het gemoed is. Hij had toch juist hiervoor (hoofdstuk 10:35vv.) de lezers vermaand om vol vertrouwen vast te houden en geduld te oefenen en hen gewezen op het nabij zijnde van de wederkomst van Christus en op het loon dat zo'n gedrag in de vervulling van de belofte zal vinden. Hij deed dit, omdat zij onder het lijden, dat zij om hun geloof moesten dulden en bij de vertraging van de wederkomst van Christus, het wachten daarop moe en wankelmoedig waren geworden; het ontbrak hun dus aan de energie van het geloof. Niet over het geloofsobject, maar over de subjectieve verhouding tot het geloofsobject werd gesproken. Het wezen van het geloof moest dus alleen in zoverre worden bepaald, als dit een subjectieve verhouding is tot de geloofsobjecten en deze konden slechts zo algemeen mogelijk worden genoemd. In het voorgestelde begrip van geloof nu worden twee zaken genoemd: ten eerste, het is een vast vertrouwen op hetgeen nog wordt gehoopt; het brengt het toekomstige reeds in het bereik van de tegenwoordige innerlijke waarneming, zodat de gelovige het reeds uit de verte ziet, voelt en begroet (hoofdstuk 6:5) en hierin een verzekering heeft omtrent de toekomstige verwezenlijking van hetgeen nu nog voorwerp van de hoop is. Maar ten tweede is het geloof een verzekering, die alle loochening, alle twijfel, alle onzekerheid buitensluit, ten opzichte van dingen, die niet gezien worden, voor zinnelijke waarneming afgesloten zijn, omdat zij tot het gebied van de bovenzinnelijke wereld behoren. De onzichtbare wereld zou voor ons in het geheel niet aanwezig zijn, als wij geen geloof hadden, wij zouden in dit geval alleen in de wereld van het zichtbare leven. Het geloof plaatst ons echter in de onzichtbare wereld; het opent niet alleen het innerlijk oog, waarvoor het onzichtbare evenzeer waar te nemen is als het zichtbare voor het lichamelijk oog, maar daarin is ook het gemoed voortdurend naar het onzichtbare gekeerd en het hart geopend voor de indrukken van die andere wereld.
Door vooraan te plaatsen "een vaste grond van de dingen, die men hoopt" wil de schrijver dit punt van zijn geloofsbegrip beschouwd hebben als het hoofdpunt dat hij vanaf hoofdstuk 10:39 op het oog heeft: "Wij behoren niet tot degenen die zich onttrekken ten verderve", waarmee hij het schuwe, wankelmoedige, wantrouwende terugtrekken van God bedoeld, van Zijn belofte en van de beloofde goederen van het heil. Daarentegen is het tweede "maar tot degenen die geloven tot behoud van de ziel" in het tweede punt van het geloofsbegrip voorgesteld, "een bewijs van de zaken die men niet ziet", dat doordat het in de tweede plaats staat, nu ook in nadere betrekking komt tot het eerste in Vers 3 aangevoerde voorbeeld van de voorvaderen, gedurende de hele tijd van het Oude Testament vanaf Adam tot aan de Makkabese geloofshelden en bloedgetuigen, die in hun trouw bij geringere genademiddelen de navolgingswaardige voorbeelden zijn voor het jongere geslacht.
Het geloof waarvan hier gesproken wordt, is niet een eenvoudig zedelijke deugd, die een aanhangsel is van de wet, noch slechts een toestemming aan enig geopenbaard, verkondigd en in het evangelie bevestigd ding, noch een wonderwerkend geloof, noch een kale belijdenis van het geloof, die soms slechts voor een tijd is, noch het woord of de leer van het geloof, maar dat geloof, waarvan in het voorgaand hoofddeel is gesproken, waardoor de rechtvaardige leeft en waaraan de zaligheid van de ziel is verbonden; en hier is niet zozeer bedoeld enig bijzonder deel of uitwerking van het geloof, als wel dat geloof in het algemeen, dat zich uitstrekt tot de verscheidene beloften en zegeningen van de genade en dan wordt hier nog wel allerbijzonderst gedoeld op het geloof van de heiligen van het Oude Verbond, hoewel dit ten aanzien van de natuur, voorwerp en maaksel hetzelfde is als het geloof van de heiligen van het Nieuwe Verbond; dit geloof nu is een vaste en zekere overtuiging van de macht, trouw en liefde van God in Christus en van belang en aandeel daarin en in alle bijzondere zegeningen te hebben.
Geen voor waar houden, geen ijdel wensen, geen op goed geloof aannemen, zoals men zegt, is het geloof. Het geloof staat niet tegenover het weten; het geloof is geen ziekelijke, vreesachtige gemoedsstemming, zonder nadenken, noch oordeel, geen lichtgelovigheid. Het geloof is een vaste grond, de kracht van dat bewijs. Voor twee gevaren moet men hier opletten. Het eerste bestaat erin om die vastheid en die kracht afhankelijk te stellen van enige aandoening of stemming van het gemoed van hem die gelooft. Dit zou juist alle objectiviteit en daarmee alle waarheid aan het geloof ontnemen. Het subjectieve verzekerd zijn is nog geen zekerheid. Dan zouden juist de onkritische geesten, ja, de hartstochtelijke gemoederen de meest gelovigen zijn onder de mensen. De hartstocht toch laat geen twijfelen, geen wikken en wegen van redenen toe. Hij is voortvarend en blind. Dan zou de heftigheid van de gemoedsbeweging de zekerste waarborg zijn voor de vastheid van het geloof. De twijfel kan meer bestanddelen van geloof bevatten dan zo'n verzekerdheid. Zullen de dingen die men niet ziet maar hoopt, in ons een vaste grond verkrijgen en kracht van bewijs ontvangen, dan moeten zij buiten ons geopenbaard zijn. Dit is de wet van de menselijke natuur, dat de enkele mens zijn vastheid moet ontlenen aan hetgeen buiten hem aanwezig is en zijn plaats moet erkennen in de harmonie van het geheel. De waarheid moet gezien worden, zal zij geloofd worden. De zintuigelijke wereld is hier als altijd toonbeeld en afschaduwing van de niet-zintuigelijke, zoals de zichtbare wereld niet kan worden waargenomen door ijdele bespiegeling van de waarnemende organen, geen wereld is van verbeelding, van schijn, zoals het lichamelijke oog om te zien, behoefte heeft aan een wereld die gezien kan worden, zo is het ook met de onzichtbare wereld. Ook zij moet kunnen gezien worden, d. i. waargenomen met organen, die haar kunnen waarnemen. Het zielsoog moet, als het zich ontsluit, een wereld vinden waarop het kan rusten, anders ziet het niet, ja wordt het zelfs niet ontsloten. In één woord: de onzichtbare wereld moet geopenbaard zijn om te kunnen worden geloofd; openbaring is de noodzakelijke voorwaarde van geloof. Daartoe is de zichtbare wereld op zich zelf niet voldoende. Is ook de onzichtbare wereld niet afgescheiden van de zichtbare, ja nog veel meer haar grond en haar wezen, die grond moet op enige wijze te voorschijn komen, als men hier in de zichtbare wereld de onzichtbare wil leren kennen. En vanwege het verband tussen het lichamelijke oog en het zielsoog, de zintuigen en de geestvermogens, een verband vereist door de eenheid van de menselijke natuur en zo noodzakelijk dat de zintuigen zonder de werkzaamheid van de geestvermogens in de geordende natuur niets dan verwarde beelden en onsamenhangende lijnen en kleuren zouden waarnemen en wederkerig de geestvermogens zonder de zintuigen slechts zichzelf zouden verteren en uiteindelijk wegsterven; vanwege dit verband moest ook in de uiterlijke wereld het onzichtbare zich in het zichtbare openbaren, daarin als het ware zijn uitstekende punten hebben, zoals in het menselijk lichaam het innerlijkste en meest onstoffelijke orgaan, het zenuwstelsel, zich tot de oppervlakte van de huid uitstrekt en daardoor met de uiterlijke wereld in verband staat. De volheid van de godheid, die de volheid is van de onzichtbare wereld, moet lichamelijk geopenbaard zijn. Maar, zo noodzakelijk als het is voor het verkrijgen van een vaste grond en een bewijs van de zaken die men niet ziet maar hoopt, dat zij geopenbaard zijn aan de mens buiten hem, niet minder noodzakelijk is het dat zij geopenbaard worden in hem, met andere woorden dat er aansluiting plaats vindt tussen de mens en de dingen die hem geopenbaard worden. Ja, die aansluiting is het geloof. Zekerheid kan voor de mens niet aanwezig zijn alleen doordat de dingen zelf aanwezig zijn. Zolang hij zelf buiten die dingen staat, bestaan zij voor hem niet, heeft hij zelf geen zekerheid. Zekerheid toch, hoewel zij niet kan verkregen worden zonder openbaring van buiten, is zelf iets innerlijks. De vaste grond moet in de mens gelegd worden; het bewijs moet voor hem van kracht zijn: welke zekerheid zouden wij bezitten, wat zou ons bewezen zijn, indien de volheid van de godheid geheel lichamelijk in Jezus Christus geopenbaard was, maar het ons ten ene male aan middelen ontbrak om de openbaring te erkennen, aan organen om die volheid van de godheid waar te nemen en te ontvangen? Hier nu bestaat een tweede klip, waarop zeer velen stranden. In hun ijver voor de objectieve waarheid, voor de openbaring en haar geschiedenis, vergeten zij geheel dat de openbaring buiten ons blijft, ja, dat wij haar niet kennen, dat wij slechts haar formules, de leerstukken, maar niet haar wezen bezitten, zolang ons eigen wezen niet in haar woont, zolang wij ons niet op zo'n manier met haar vereenzelvigd hebben dat wij zelf als het ware een deel van haar geworden zijn. Christus blijft buiten ons zolang Zijn geest niet onze geest geworden is en Hij niet door het geloof, waardoor wij ons bij Hem aansluiten, in onze harten woont. Zo kan er een ijveren voor Zijn titels en waardigheden ontstaan, een blinde, slaafse onderwerping aan de geloofsuitdrukking van de kerk die Hem belijdt, een angstig en tegelijk dweepziek vasthouden aan het onbegrepene als zodanig, ja een verkleinen en verachten van alle natuurlijke vermogens van de menselijke natuur, van de menselijke natuur zelf, die men, de zonde van de natuur verwarrend met die natuur, voor louter duivels houdt en een onwillekeurige lastering van het scheppingswerk van het menselijke als zodanig. Groot, ontzaglijk groot is het gevaar van deze dwaling; zij plaatst ons buiten de Heer. Zij doet ons, voor een verborgen en niet geopenbaarde goddelijke natuur in Hem die men als leerstuk belijdt, zijn mensheid, waarin Zich die godheid openbaart, geheel miskennen en voor iets overtolligs houden, hoogstens alleen noodzakelijk voor het moment van het plaatsvervangend lijden en sterven. Dat er op die wijze geen vaste grond kan ontstaan van de dingen die men hoopt, geen bewijs van de zaken die men niet ziet, blijkt voldoende uit de voortdurende vrees die het geloofsleven, als het al zo genoemd mag worden, van hen kenmerkt, die in die dwaling gevangen zijn. Het is aan hun ijveren te merken dat in hun ogen het Godsrijk altijd het gevaar loopt te vergaan, de Heilige Geest altijd nog moet uitgestort worden; en dat zonder dit jagen en ijveren miljoenen zielen gevaar lopen te vergaan. Zo zoeken zij de zekerheid die zij missen en schitterende opwekkingen en geestelijke prikkelingen en altijd vernieuwde en toch altijd onbevredigende aandoeningen en schokken. De vaste grond die zij menen te bezitten en toch altijd zoeken, wordt op veel dieper, maar ook veel eenvoudiger, veel natuurlijker weg gevonden, het bewijs dat te verkrijgen is, doet dan geen vermogen van de menselijke natuur geweld aan. Integendeel, het wekt die juist op en verlevendigt ze. Dat bewijs wordt verkregen, die vaste grond wordt gevonden door eenvoudig de gegeven openbaring op zich te laten werken. Er is in de persoon van de Heere een voor allen openstaande, voor allen waarneembare kant. Het licht van die zon komt tot onze duisternis in duizend schakeringen van licht, vanaf de eerste grauwe morgenschemering tot de volle middagklaarheid. Het leven van de Heere heeft een uiterlijke zijde, die voor de minst ontvankelijken bevattelijk is en die, als men zich daarbij aansluit, de weg opent tot de meest verborgen geesten. Onze vatbaarheid om die uiterlijke zijde waar te nemen, maakt onze verantwoordelijkheid uit. Immers om haar niet waar te nemen, om ongevoelig te zijn voor de indruk van verhevenheid, heiligheid, liefde, die van het beeld van Christus uitgaat, moet men niet eenvoudig passief blijven, maar integendeel zijn eigen natuur geweld aandoen, zijn zedelijke zin verstompen, zijn geweten toeschroeien. Door nu het beeld van de Christus op zich te laten werken en de indrukken van vrees, van hoop, van beschaming, van bemoediging, de openbaring van het geestelijke leven door dat beeld gewekt als openbaringen van God te beschouwen en aan te nemen, wordt de vaste grond van de dingen die men hoopt in ons gelegd en het bewijs van de zaken die men niet ziet door ons verkregen. Dit is de enige weg tot het verkrijgen van een verzekerdheid van het geloof die evenmin afhankelijk is van onze veranderlijke stemmingen en aandoeningen als van de altijd wankelende verstandelijke bewijzen.
Het geloof is het aanschouwen van het verborgene en geeft van het ongeziene een zekerheid, zoals wij die van het zichtbare hebben. Wat daarom onwezenlijk schijnt, omdat het nog in de hoop ligt, dat verkrijgt wezen en bestaan door het geloof of veelmeer, het verkrijgt daardoor geen bestaan, maar het geloof zelf is er het bestaan van. Zo is de opstanding nog niet aanwezig, maar het geloof geeft haar bestaan in onze ziel. De onzichtbare hemelse heilgoederen, die naar de werkelijkheid nog niet aanwezig zijn, bestaan reeds in ons door het geloof en het geloof is hun bestaan in ons, zo spreekt Hugo van St. Victor.
De voorwerpen van het geloof zijn dingen die men niet ziet, hetzij zij in het verleden liggen, zoals de schepping van de wereld, waarvan de schrijver in het derde vers zal spreken, hetzij zij toekomstig zijn, zoals de vervulling van de beloften, door God aan de gelovigen gegeven. Dit laatste komt hier vooral in aanmerking. Daarom spreekt de schrijver eerst van dingen die men hoopt, aangezien dit in het bijzonder voorwerpen van het geloof zijn. De dingen die men gelooft, zijn dus niet tegenwoordig, noch vallen onder het bereik van ons lichamelijk oog. Zij zijn afwezig en onzichtbaar. Zij betreffen gebeurtenissen die vóór ons geschied zijn, die wij niet aanschouwd, niet bijgewoond hebben en heilgoederen die wij hopen te bezitten, maar die wij nog niet genieten. En hoe verhoudt het geloof zich ten opzichte van deze voorwerpen? Het is, zegt onze schrijver, een zeker vertrouwen op hetgeen men hoopt en een vaste overtuiging aangaande de zaken die men niet ziet. Dat is de aard van het geloof in het algemeen, dat de aard van het godsdienstige geloof in het bijzonder. Wie gelooft, twijfelt dus niet aan de waarheid van hetgeen voorwerp van zijn geloof is, al ziet hij het niet, maar houdt zich van die waarheid zó volkomen overtuigd, alsof hij het met zijn ogen aanschouwde. Hij twijfelt niet aan de vervulling van zijn hoop, maar verwacht met vast vertrouwen dat hij het goed, waarop hij hoopt, zeker zal verkrijgen. Geloven en weten staan dus niet tegenover elkaar. Nee, het geloof, het godsdienstige geloof, want hiervan spreekt de schrijver in het bijzonder, is ook een weten, een zeker weten, waardoor wij voor waar houden wat ons van Godswege geopenbaard is en de vervulling van zijn beloften met zekerheid verwachten en het verschilt van het weten dat door ervaring en redenering wordt verkregen alleen hierin dat het niet rust op het getuigenis van feilbare mensen, maar van de waarachtige God, die niet liegen, niet ontrouw worden kan. Dat geloof hadden de Hebreeuwse christenen nodig om staande te blijven te midden van de verzoekingen, die hen tot afval trachtten te bewegen. Als dat geloof in hen woonde, dan zouden zij niet wankelen, noch bezwijken. Het zou hun moed en kracht schenken om niet te letten op de dingen die men ziet, maar die men niet ziet, om aan God en Zijn beloften vast te houden, om over het leed dat hen om hun belijdenis van de Heere drukte, heen te zien en zich op de kroon van de overwinning, op de grote vergelding van het loon te richten en aan de Heere trouw te blijven tot het einde.