Psalm 88:11-19
In deze verzen:
I. Doet de psalmist zijn beklag bij God over de jammerlijke toestand, waarin hij zich bevindt, vers 11-13. "Zult Gij wonder doen aan de doden, hen weer in het leven terugroepen? Zullen zij die dood en begraven zijn, opstaan om U te loven? Neen, zij laten het aan hun kinderen over om in hun plaats op te staan om God te loven, niemand verwacht dat zij dit zullen doen, en waartoe zouden zij opstaan? Waarvoor zouden zij leven dan om God te loven? Het leven, waartoe wij in het eerst geboren waren, en het leven, waartoe wij ten laatste op hopen te staan, moet aldus doorgebracht worden. Maar zal Uwe goedertierenheid in het graf verteld worden, hetzij door hen, of aan hen, die daar begraven liggen? Zal Uw getrouwheid aan Uw belofte verteld worden in het verderf? Zullen Uwe wonderen bekend worden in de duisternis, of er gewerkt worden? en Uwe gerechtigheid in het graf, dat het land is van de vergetelheid, waar de mensen zich niets meer herinneren, en zelf niet meer herdacht worden? Afgescheiden zielen kunnen wel Gods wonderen kennen, en Zijn getrouwheid, gerechtigheid en goedertierenheid vertellen, maar gestorven lichamen kunnen dit niet, zij kunnen noch Gods gunsten ontvangen in vertroosting noch ze vergelden in lof. Nu willen wij niet onderstellen dat deze klachten en betogingen de taal zijn van de wanhoop, alsof hij dacht dat God hem niet kon helpen, of niet wilde helpen, en nog veel minder spreekt er ongeloof in de opstanding van de doden ten laatste dage uit, maar aldus pleit hij bij God om spoedige hulp en verlossing te verkrijgen: "Heere, Gij zijt goed, Gij zijt getrouw, Gij zijt rechtvaardig, deze Uw eigenschappen zullen bekend gemaakt worden in mijn verlossing, maar indien zij niet verhaast wordt, zal het te laat zijn, want ik zal dood wezen en niet meer te helpen zijn, dood en niet instaat om vertroosting te ontvangen." Job heeft dikwijls hierop gepleit, Job 7:8, 10:21.
II. Hij besluit te volharden in het gebed en nog te meer omdat de verlossing werd uitgesteld, vers 14. "Tot U heb ik menigmaal geroepen, en er vertroosting in gevonden en daarom zal ik dit blijven doen: Maar ik Heere, roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond." Hoewel onze gebeden niet terstond verhoord worden, moeten wij daarom het gebed niet nalaten, want het gericht zal nog tot een bestemde tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen en niet liegen. God stelt de verhoring uit om ons geduld en onze volharding in het gebed op de proef te stellen. Hij besluit God vroeg te zoeken, in de morgenstond, als zijn geest opgewekt is, en voordat het werk en de drukte van de dag beginnen, in de morgenstond, nadat hij door zorgen en treurige gedachten in de stilte en de eenzaamheid van de nacht gekweld en heen en weer geslingerd was. Mijn gebed komt U voor in de morgenstond. Niet alsof hij spoediger kon ontwaken om te bidden, dan God kon horen en verhoren, want Hij sluimert noch slaapt, maar het geeft te kennen dat hij vroeger dan gewoonlijk op zal zijn om te bidden, zou voorkomen, dat is: voor zijn gewone ure des gebeds tot God zou gaan. Hoe groter onze beproevingen zijn, hoe zorgvuldiger en ernstiger wij behoren te wezen in het gebed. "Mijn gebed zal zich U voorstellen, intijds voor U komen, en zal niet wachten op de aanmoediging van een begin van genade, maar naar U uitgaan in geloof en verwachting, zelfs voor nog de dag is aangebroken." God voorkomt dikwijls onze gebeden en verwachtingen met Zijn zegeningen, laat ons Zijn zegeningen voorkomen met onze gebeden en verwachtingen.
III. Hij schrijft op wat hij in het gebed tot God zal zeggen. 1. Hij zal in ootmoed met God redeneren over de toestand van ellende en beproeving, waarin hij zich nu bevindt, vers 15. Heere waarom verstoot Gij mijn ziel? Wat is het dat U er toe brengt om mij te behandelen als een verstotene? Doe mij weten waarover Gij met mij twist." Hij zegt het met verwondering, dat God een oude dienstknecht zou verstoten, iemand zou verstoten, die besloten was Hem niet te verlaten. Geen wonder dat de mensen mij verstoten, maar Heere, waarom doet Gij het, wiens genadegaven en roepingen onberouwelijk zijn? Waarom verbergt Gij Uw aanschijn voor mij, als iemand die toornig op mij is, die of geen gunst voor mij heeft, of haar mij niet wil doen kennen?" Niets smart een kind van God zoveel als dat God Zijn aangezicht voor hem verbergt, en er is ook niets dat hij zo vreest, als dat God zijn ziel zei verstoten. Als de zon bewolkt is, dan verduistert dit de aarde, maar als de zon de aarde verliet, welk een kerkerhol zou de aarde dan zijn!
2. Hij zal met nederigheid de klachten herhalen, die hij tevoren gedaan heeft, totdat God hem genadig is. Hij stelt aan God twee dingen voor als zijn grieven.
A. Dat God een verschrikking voor hem was. Ik draag Uwe vervaarnissen, vers 16. Voortdurend was hij in schrik en angst voor de toorn Gods tegen hem en zijn zonden, en voor de gevolgen van die toorn. Het maakte hem beangst om aan God te denken, er aan te denken om in Zijn handen te vallen, om voor Hem te verschijnen en zijn vonnis van Hem te vernemen. Hij sidderde bij de gedachte aan Gods misnoegen op hem, en het ontzaglijke van Zijn majesteit. Zelfs zij, die bestemd zijn voor Gods gunst kunnen voor een tijd lijden onder Zijn verschrikkingen. De geest van de aanneming is eerst een geest van de dienstbaarheid tot vrees. Job klaagt dat "de verschrikkingen Gods zich tegen hem zetten," Job 6:4. De psalmist verklaart zich hier nader en zegt ons wat hij bedoelt met Gods verschrikkingen, namelijk Zijn hittige toornigheden. Laat ons zien welke ontzettende indrukken deze verschrikkingen op hem maakten, en hoe diep zij hem wondden.
a. Zij hadden hem bijna het leven benomen. "Ik ben er zo door gekweld en gedrukt, dat ik er schier van sterf, de geest geef. Uwe verschrikkingen doen mij vergaan," vers 17. Wat is de hel, die uitwendige afsnijding, waardoor veroordeelde zondaren voor eeuwig afgesneden zijn van God en de zaligheid, anders dan Gods verschrikkingen, die aan hun schuldig geweten knagen?
b. Zij hadden hem bijna van het verstand beroofd, ik draag Uwe vervaarnissen en ben twijfelmoedig. Die treurige uitwerking hebben de verschrikkingen des Heeren op velen gehad, en op sommige Godvruchtigen, die daardoor hun ziel niet meer konden bezitten, een allertreurigste toestand, waarmee men diep medelijden moet hebben.
c. Dit had lang geduurd. Van van de jeugd aan draag ik Uwe vervaarnissen. Van zijn kindsheid af was hij gekweld door zwaarmoedigheid, met smart grootgebracht onder de tucht van die schoot. Als wij onze dagen beginnen met smart, en de dagen van onze treuring zeer lang hebben aangehouden, laat ons dit dan niet vreemd vinden, maar laat de verdrukking lijdzaamheid werken. Het is opmerkelijk dat Heman, die een zo wijs en Godvruchtig man geworden is, beproefd was, op het punt was van te sterven, Gods verschrikkingen heeft gedragen van zijn jeugd aan, aldus hebben velen bevonden dat het goed voor hen was, het juk te dragen in hun jeugd, dat smart veel beter voor hen was dan lachen voor hen geweest zou zijn, en dat zij zeer verdrukt zijnde in hun jeugd, en dikwijls op het punt van te sterven, door de genade Gods zo'n gewoonte hadden verkregen van in een ernstige gemoedstoestand te verkeren, en zo gespeend waren van de wereld, dat de beproeving van groot nut voor hen geweest is gedurende al hun dagen. Soms worden zij, die door God bestemd zijn voor uitnemende diensten, door deze beproevingen, dit diepgaand lijden, er toe bereid.
d. Zijn ellende was nu ten top gestegen. Gods verschrikkingen omringden hem, zodat hij van alle kanten door allerlei leed en beproeving als besprongen werd en hem nergens een gunstige wind tegenwoei. Zij stormden op hem aan als golven en baren van een watervloed en dat wel dagelijks en de gehele dag, zodat hij geen rust, geen verademing had, geen heldere tussenpozen, geen glimp van hoop. Zodanig was de rampspoedige toestand van een zeer wijs en Godvruchtig man. Hij was zo omringd van verschrikkingen, dat hij geen plaats ter beschutting kon vinden.
B. Dat geen vriend, die hij in de wereld had, hem tot troost was, vers 19. Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan, sommigen zijn dood, anderen op verre afstand en velen zijn misschien onvriendelijk. Na de vertroostingen van de godsdienst komen die van de vriendschap en van de gezellige samenleving, daarom staat zonder vrienden te zijn schier gelijk voor zoveel het dit leven betreft met zonder troost te wezen, en voor hen, die vrienden gehad hebben maar ze hebben verloren, is de ramp nog zoveel te zwaarder. Daarmee besluit de psalmist zijn klacht alsof dit het was, dat zijn leed volkomen maakte. Indien onze vrienden verre van ons gedaan zijn door verstrooiende leidingen van Gods voorzienigheid, ja indien wij door de dood van onze bekenden in duisternis zijn, dan hebben wij reden om dit als een zware beproeving te beschouwen, maar dan moeten wij er de hand Gods in erkennen en ons er aan onderwerpen.