Psalm 86:1-7
Deze psalm werd uitgegeven onder de titel van Een gebed van David, niet alsof David al zijn gebeden gezongen heeft, maar in sommige van zijn liederen heeft hij gebeden ingelast, want een psalm kan de uitdrukking wezen van elke vrome zielsaandoening. Maar het is opmerkelijk hoe zeer eenvoudig de taal is van deze psalm, en hoe weinig dichterlijke beelden er in voorkomen in vergelijking met sommige andere psalmen, want de bloemen van het vernuft zijn geen gepaste versieringen van het gebed.
Nu kunnen wij hier opmerken:
I. De beden, die hij tot God opzendt. Het is waar: het gebed kan ook wel eens een prediking zijn, maar het is zeer voegzaam dat, evenals in dit gebed, iedere zinsnede tot God gericht is, want zodanig is de aard van het gebed gelijk het hier beschreven wordt, vers 4. Tot U, Heere, verhef ik mijne ziel, zoals hij ook in Psalm 25:1 gezegd heeft. In alle delen van het gebed moet de ziel zich verheffen op de vleugelen des geloofs en van de heilige begeerte opgeheven zijn tot God, om de mededelingen van Zijn genade te ontvangen en in hoge verwachtingen van grote dingen van Hem zijn.
1. Hij bidt dat God aan Zijn gebeden een genadig gehoor zal verlenen, vers 1. Heere neig Uw oor, verhoor mij. Als God onze gebeden hoort dan wordt zeer gepast gezegd dat Hij Zijn oor neigt, tot hen nederbuigt, want het is een verwonderlijke nederbuigende goedheid in God, dat het Hem behaagt kennis te nemen van zulke geringe schepselen als wij zijn en van zulk gebrekkige gebeden als de onze zijn. Hij herhaalt dit in vers 6. Heere, neem mijn gebed ter gore, leen er een gunstig oor aan al wordt het ook slechts gefluisterd, gestameld merk op de stem mijner smekingen. Niet alsof God het nodig heeft dat Zijn aandoeningen opgewekt worden door iets, dat wij kunnen zeggen, maar aldus moeten wij uitdrukking geven aan onze begeerte naar Zijn gunst. De Zone Davids heeft met verzekerdheid en innig welbehagen gezegd: "Vader, Ik dank U dat Gij Mij gehoord hebt. Doch Ik wist dat Gij Mij altijd hoort," Johannes 11:41, 42.
2. Hij bidt dat God hem onder zijn bijzondere bescherming zal nemen, en aldus de werker zal wezen van zijn heil, zijn verlossing, vers 2. Bewaar mijne ziel, verlos Uwen knecht. Het was Davids ziel, die Gods dienstknecht was, want diegenen alleen dienen God op welbehaaglijke wijze die Hem dienen in geest en waarheid. Davids zorg betreft zijn ziel. Indien wij het verstaan van zijn natuurlijk leven, dan leert het ons dat het beste zelfbehoud daarin bestaat, dat wij ons overgeven in Gods bewaring en onze Schepper door geloof en gebed tot onze bewaarder maken. Maar het kan verslaan worden van zijn geestelijk leven, het leven van de ziel als onderscheiden van het lichaam. "Bewaar mijne ziel voor die ene boze en gevaarlijke zaak voor zielen, namelijk voor zonde, bewaar mijne ziel en red mij aldus." Al degenen die God wil behouden, bewaart Hij voor Zijn hemels koninkrijk.
3. Hij bidt dat God hem zal aanzien met een oog van medelijden en ontferming, vers 3. Wees mij genadig, Heere! Het is goedertierenheid in God om onze zonden te vergeven en ons te redden uit onze benauwdheid, die beide zalven zijn opgesloten in dit gebed o God, wees mij genadig. De mensen betonen geen genade, wij verdienen geen genade. maar, Heere, om der barmhartigheid wil, wees mij genadig 4. Hij bidt dat God hem zal vervullen met innerlijke vertroosting, vers 4. Verheug de ziel Uws knechts. Het is God alleen, die blijdschap in het hart kan geven en de ziel zich doen verheugen, en dan, maar niet eerder, is de blijdschap volkomen. Gelijk het de plicht is van hen, die Gods dienstknechten zijn, om Hem te dienen met blijdschap, zo is het hun voorrecht om vervuld te zijn met blijdschap en vrede in het geloven, en in het geloof kunnen zij bidden, niet alleen dat God hun ziel zal bewaren, maar dat Hij hun ziel zal verheugen, en de blijdschap des Heeren zal hun sterkte zijn.
Merk op: als hij bidt: Verheug mijne ziel, dan voegt hij er bij: want tot U, Heere, verhef ik mijne ziel. Wij kunnen vertroosting van God verwachten, als wij zorg dragen om onze blijdschap met God te onderhouden. Het gebed kweekt blijdschap.
II. De pleitgronden, die hij aanvoert.
1. Hij pleit op zijn betrekking tot God en zijn deel aan Hem. "Gij zijt mijn God, aan wie ik me toegewijd heb en op wie ik vertrouw, en ik ben Uw knecht, vers 2, en daarom verwacht ik bescherming van U."
2. Hij pleit op zijn ellende, zijn benauwdheid: Verhoor mij, want ik ben ellendig en nooddruftig, daarom heb ik Uwe hulp van node daarom zal niemand anders mij horen of helpen." God is des armen mans Koning, het is Zijn heerlijkheid om de zielen van de nooddruftigen te verlossen. Zij, die arm van geest zijn, die zich ledig en nooddruftig zien, zijn zeer welkom aan de God van de genade.
3. Hij pleit op Gods goedertierenheid jegens allen, die Hem aanroepen, vers 5. Tot U verhef ik mijne ziel in begeerte en verwachting, want Gij, Heere, zijt goed, en waar zullen bedelaars anders gaan dan naar de deur van hem, die een goed huis houdt? De goedheid van Gods aard is een grote bemoediging voor ons in ons spreken tot Hem. Zijn goedheid blijkt in twee dingen: in geven en vergeven.
a. Hij is een zondevergevend God, Hij kan niet slechts vergeven, maar Hij is bereid te vergeven, meer bereid om te vergeven dan wij om berouw te hebben en ons te bekeren. "Ik zei: Ik zal belijdenis doen van mijne overtredingen voor de Heere, en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde," Psalm 32:5.
b. Hij is een God, die het gebed hoort, Hij is groot, groot van ontferming, rijk en milddadig voor allen, die Hem aanroepen. Hij heeft hetgeen waarmee Hij in al hun noden kan voorzien en is zeer ruim en vrij om die voorziening te schenken.
4. Hij pleit op het goede werk, dat God in hem gewrocht heeft, waardoor Hij hem bevoegd heeft gemaakt om de tekenen van Zijn genade te ontvangen. Er waren door de Goddelijke genade drie dingen in hem gewerkt, die hij beschouwde als onderpanden van alle goed.
A. Een gelijkvormigheid met God, vers 2. Ik ben heilig, en daarom: bewaar mijn ziel, want hen, die door de Geest geheiligd zijn, zal Hij bewaren. Hij zegt dit niet in hoogmoed of verwaandheid, maar in nederige dankbaarheid aan God. Ik ben een, die Gij begunstigt, zo heeft het de kanttekening, een, die Gij U afgezonderd hebt. Als God een goed werk van genade in ons begonnen heeft, dan moeten wij erkennen dat het de tijd van de minne is en dat wij genade in Zijn ogen hebben gevonden, en die God in Zijn genade en gunst heeft opgenomen, zal Hij ook onder Zijn bescherming nemen. "Al zijn heiligen zijn in uw hand" Deuteronomium 33:3.
Merk op: Ik ben ellendig en nooddruftig, vers 1, en toch, ik ben heilig, vers 2, heilig, en toch ellendig en nooddruftig, arm in de wereld, maar rijk in geloof. Zij, die in hun grootste armoede hun reinheid behouden, kunnen ervan verzekerd zijn dat God hun vertroostingen zal bewaren, hun ziel zal bewaren.
B. Een vertrouwen op God, verlos Uwen knecht, die op U betrouwt. Zij, die heilig zijn, moeten toch niet op zichzelf vertrouwen, of op hun eigen gerechtigheid, maar alleen op God en Zijn genade. Zij, die op God vertrouwen, kunnen verlossing van Hem verwachten.
C. Een gezindheid om gemeenschap te oefenen met God. Hij hoopt dat God zijn gebed zal verhoren, omdat Hij hem tot bidden had geneigd.
a. Om aan te houden in het gebed: ik roep tot U de gehele dag, vers 3, en alle dagen. Zo is het onze plicht om altijd te bidden, zonder ophouden te bidden, te volharden in het gebed, en dan kunnen wij hopen dat onze gebeden verhoord zullen worden, die we in de tijd van de benauwdheid hebben opgezonden indien wij op andere tijden, ja op alle tijden die plicht nauwgezet betracht hebben. Het is troostrijk als een beproeving de raderen des gebeds in beweging vindt, en dat zij dan niet pas in beweging gezet behoeven te worden.
b. Om innig met God te zijn in het gebed, om zijn ziel tot Hem te verheffen, vers 4. Wij kunnen hopen dat God ons zal ontmoeten met Zijn genade, als wij in onze gebeden onze ziel als het ware, uitzenden om Hem te ontmoeten.
c. Om in een bijzonderen zin vurig te zijn in het gebed tot God, als hij in beproeving was vers 7. In de dag mijner benauwdheid roep ik U aan, geef ik mijne zaak aan U over, want Gij zult mij verhoren, en ik zal niet tevergeefs roepen, zoals zij, die riepen: "o Baal, antwoord ons, maar daar was geen stem, en geen antwoord en geen opmerking," 1 Koningen 18:29.