Psalm 84:9-13
1. Hier bidt de psalmist om gehoor en gunst bij God, zonder bepaald te noemen wat hij wenste, dat God voor hem zal doen. Hij behoefde niets meer te zeggen, nadat hij zo'n liefdevolle waardering had uitgesproken van Gods inzettingen, waarvan hij nu verbannen was. Al zijn begeerte lag uitgedrukt in die belijdenis, was duidelijk neergelegd voor God, zijn verlangen, zijn zuchten was voor Hem niet verborgen, daarom bidt hij, vers 9, 10, alleen maar dat God zijn gebed zal horen, het ter ore zal nemen, zijn toestand zal aanschouwen, zijn liefde zal aanzien, zijn aangezicht zal aanzien, om te zien waarheen het gericht was, en hoe er het verlangen zijns harten naar Gods voorhoven op te lezen was. Hij noemt zich (zoals velen denken) Gods gezalfde, want David was door Hem gezalfd en voor Hem gezalfd. In dit gebed:
1. Heeft hij het oog op God onder verschillende van Zijn heerlijke titels. Als de Heere van de heirscharen, die alle schepselen onder Zijn bevelen heeft en daarom alle macht heeft in hemel en op aarde, als de God Jakobs, een God, in verbond met Zijn eigen volk, een God die nooit tot het biddend zaad Jakobs gezegd heeft: zoekt Mij tevergeefs, en als God ons schild, die Zijn volk onder Zijn bijzondere bescherming neemt, ingevolge Zijn verbond met Abraham, hun vader, Genesis 15:1 :"Vrees niet, Abram, Ik ben u een schild." Toen David niet verborgen kon zijn in Gods tabernakel, Psalm 27:5, daar hij op een afstand ervan was, hoopte hij toch God zijn schild te bevinden, waar hij ook was.
2. Hij had het oog op de Middelaar, want ik versta veeleer van Hem deze woorden: "aanschouw het aangezicht van Uwen Messias, Uwen Gezalfde", want van Zijn zalving heeft David gesproken in Psalm 45:7. In al onze gebeden tot God moeten wij begeren dat Hij op het aangezicht van Christus zal zien, ons zal aannemen om Zijnentwil, in Hem een welbehagen zal hebben in ons. Wij moeten zien met het oog des geloofs, en dan zal God met een oog van gunst zien het aangezicht van de Gezalfde die ons Zijn aangezicht doet zien, als wij zonder Hem het onze niet durven tonen.
II. Hij pleit op zijn liefde voor Gods inzettingen, en zijn betrouwen op God zelf.
1. Gods voorhoven waren zijn keus, vers 11. Zeer grote liefde koesterde hij voor heilige inzettingen, hij waardeerde ze boven alles, en hij drukte zijn waardering ervan uit:
a. Door aan de tijd van Gods aanbidding de voorkeur te geven boven alle andere tijden. Een dag, doorgebracht in Uwe voorhoven door er de Godsdienstoefeningen bij te wonen, geheel onttrokken aan alle wereldlijke bezigheden of belangen, is beter dan duizend elders doorgebracht, niet dan duizend in Uwe voorhoven, maar dan duizend overal anders in de wereld, al is het ook temidden van de verlustigingen en genietingen van de kinderen van de mensen. Beter dan duizend, hij zegt niet dagen, gij kunt de zin aanvullen met jaren met eeuwen, zo gij wilt, en David zal er ook dan nog zijn toestemming aan geven. neen dag in Uwe voorhoven, een sabbatdag, een heilige dag, een feestdag, al is het slechts een dag, zou mij zeer welkom zijn. "Ja meer," zoals sommigen van de rabbijnen het omschreven hebben "al zou ik er de volgende dag om moeten sterven, zou die ene dag toch lieflijker wezen dan jaren, doorgebracht in het bedrijf en genot van deze wereld. Een van deze dagen zal met zijn genietingen duizend dagen en twee tien duizend doen vluchten, beschaamd maken, als niet waardig om er mee vergeleken te worden." b. Door aan de plaats van de aanbidding de voorkeur te geven boven iedere andere plaats, ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen dan lang te wonen in pracht en staatsie, als meester in de tent van de goddeloosheid, vers 11.
Merk op: Hij noemt zelfs de tabernakel een huis, want de tegenwoordigheid Gods maakte zelfs deze gordijnen statiger dan een paleis en sterker dan een kasteel. Het is het huis mijns Gods. Het verbondsdeel, dat hij had in God als zijn God was de lieflijke snaar, die hij zo gaarne tokkelde, zij, en zij alleen, die op goede gronden God hun God kunnen noemen, verlustigen zich in de voorhoven van Zijn huis. Ik zou liever portier zijn in Gods huis dan een prins in de tenten, waar goddeloosheid heerst, liever aan de dorpel liggen zo luidt het oorspronkelijke, de plaats des bedelaars, Handelingen 3:2. "Het doet er niet toe", zegt David, Liever die plaats dan gene." De Farizeen beminnen de synagogen, mits zij er de koorgestoelten in hadden, Mattheus 23:6, om er een groot aanzien te hebben, de vrome David is daarover niet in zorg zo hij slechts tot de dorpel wordt toegelaten zal hij zeggen: "Meester, het is goed hier te zijn." Sommigen lezen het: "ik zou liever aan een deurpost bevestigd zijn in het huis mijns Gods, dan in vrijheid te leven in de tenten van de goddeloosheid," in toespeling op de wet betreffende dienstknechten, die, zo zij niet vrij uit wilden gaan, zich het oor moesten laten doorboren aan de post van de deur, Exodus 21:5, 6 David had zijn Meester lief, en had zijn werk lief, zodat hij begeerde voor altijd aan deze dienst verbonden te zijn, er vrijer voor te zijn, maar er nooit vrij van uit te gaan, de banden des plichts verkiezende boven de grootste vrijheid om te zondigen. Zodanig een uiterst genoegen smaken heilige harten in heilige plichten, in hun schatting kan geen voldoening vergeleken worden bij de voldoening van gemeenschap met God.
2. God zelf was zijn hoop, zijn blijdschap, zijn alles. Hij had het huis zijns Gods lief, omdat zijn verwachting was van zijn God, en daar placht hij zijn hart voor Hem uit te storten. Zie:
a. Wat God is en zijn zal voor Zijn volk. God de Heere is een zon en schild. Wij zijn hier in duisternis, maar als God onze God is, dan zal Hij een zon voor ons wezen, om ons te verlichten en te verkwikken, ons te leiden en te besturen. Wij zijn hier in gevaar, maar Hij zal ons een schild zijn, om ons te beveiligen tegen de vurige pijlen, die in menigte om ons heenvlieden, met goedgunstigheid zal Hij ons kronen als met een rondas. Laat ons dus altijd wandelen in het licht des Heeren, en ons nooit buiten Zijn bescherming werpen, dan zullen wij Hem een zon bevinden om ons te voorzien van alle goed, en een schild om ons te beschutten tegen alle kwaad.
b. Wat Hij hun schenkt en zal schenken. De Heere zal genade en eer geven. Genade betekent beide Gods welwillendheid jegens ons, en Zijn goed werk in ons, eer betekent beide de eer, die Hij thans op ons legt door Zijn aanneming van ons tot zonen en de eer, die Hij voor ons heeft weggelegd in het erfdeel van zonen. God zal hun genade geven in deze wereld als een toebereiding tot de heerlijkheid en eer in de andere wereld als de volmaking van de genade, beide zijn Gods gave, zijn vrije gave. En gelijk van de ene kant God, waar Hij genade geeft, ook eer zal geven (want genade is het begin van de eer en is er het onderpand van, zo zal Hij, van de andere kant, hiernamaals aan niemand eer geven, aan wie Hij thans geen genade geeft, of die Zijn genade tevergeefs hebben ontvangen. En indien God genade en eer zal geven, de twee dingen, die samenwerken om ons gelukkig te maken in beide werelden, dan kunnen wij er zeker van zijn dat Hij het goede niet zal onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. c. Het is de aard, de hoedanigheid, van alle Godvruchtigen, dat zij in oprechtheid wandelen, dat zij God aanbidden in geest en waarheid, dat zij in eenvoudigheid en oprechtheid in de wereld verkeren, en de zodanigen kunnen er zeker van zijn dat God hun het goede niet zal onthouden, geen goed, dat nodig is voor hun reis door deze wereld. Verzeker u van genade en eer, en andere dingen zullen u toegeworpen worden, dit is een veelomvattende belofte, en zo'n verzekering van de vertroosting, het welzijn van de heiligen, dat, wat zij ook mogen begeren en denken nodig te hebben, en de oneindige wijsheid goed voor hen acht, hun voorzeker door de oneindige goedheid ter bestemder tijd gegeven zal worden. Laat het onze zorg wezen om in oprechtheid te wandelen, en laat ons dan op God vertrouwen om ons alles te geven wat goed voor ons is.
Eindelijk. Hij noemt hen welgelukzalig die op God hun vertrouwen stellen, zoals hij gedaan heeft, vers 13. Zij zijn welgelukzalig, die vrije toegang hebben tot de inzettingen en de voorrechten genieten van Gods huis. Maar al zijn wij daar nu ook van verstoken, wij zijn daarom nog niet buitengesloten van de zaligheid, zo wij op God vertrouwen. Indien wij niet naar het huis des Heeren kunnen gaan, dan kunnen wij door het geloof gaan tot de Heere van het huis, en in Hem zullen wij zalig zijn.