Psalm 71:14-24
David is hier in een heilige vervoering van blijdschap en lof, voortkomende uit zijn geloof en hoop in God. Wij hebben die beide tezamen in vers 14, waar wij een plotselinge en merkwaardige verandering bespeuren in zijn stem: zijn vrees is geheel tot zwijgen gebracht, zijn hoop is opgewekt, en zijn gebeden zijn in dankzeggingen veranderd. Laat mijn vijanden zeggen wat zij willen om me tot wanhoop te drijvan, ik zal gedurig hopen, hopen in alle toestanden, ook op de somberste, meest bewolkte dag, ik zal leven van de hoop, en zal ten einde toe hopen. Daar wij hopen op Een, die nooit zal falen, zo laat onze hoop op Hem niet falen, ons niet begeven, en dan zullen wij Hem al meer en meer loven. "Hoe meer zij mij smaden, hoe dichter ik U zal aankleven, ik zal U meer en beter loven dan ik tot nog toe gedaan heb." Hoe langer wij leven hoe meer bedreven wij zullen worden in het loven van God, en hoe overvloediger wij erin behoren te wezen. Ik zal nog toedoen aan Uw lof Uw lof nog groter maken, dan die ik U totnutoe gebracht heb, want hij was te klein te gering. Als wij tot eer van Gods genade alles gezegd hebben wat wij kunnen, dan is er toch nog meer te zeggen, het is een onderwerp, dat nooit uitgeput kan raken, en daarom moeten wij het nooit moede worden. Merk nu op in deze verzen:
I. Hoe zijn hart vast is in het geloof en de hoop, en het is goed, dat het hart aldus vast is.
Merk op:
1. Waar hij in hoopt, vers 16.
a. In de macht van God. Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren Heeren, niet in wanhoop nederzitten maar mij opwekken tot mijn werk en strijd, ik zal uitgaan en voortgaan, niet in mijn eigen kracht, maar in Gods kracht, van eigen genoegzaamheid niets willende weten en alleen op Hem steunende als algenoegzaam, in de kracht van Zijn voorzienigheid en in de kracht van Zijn genade. Tot Gods werk moeten wij ons altijd wenden in Zijn kracht, het oog op Hem gericht houdende, om beide het willen en het werken in ons te werken.
b. In de belofte van God: ik zal Uw gerechtigheid vermelden, Uw getrouwheid aan ieder woord, dat Gij hebt gesproken de billijkheid van Uw beschikkingen en Uwe goedheid jegens Uw volk, dat op U vertrouwt. Dit zal ik vermelden als mijn pleitgrond in het gebed om Uw genade. Wij kunnen het zeer gevoeglijk toepassen op de gerechtigheid van Christus, die genoemd wordt de gerechtigheid Gods door het geloof, en getuigenis heeft van de wet en de profeten, wij moeten steunen op Gods kracht voor hulp, en op Christus gerechtigheid om welbehaaglijk te zijn. "In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte," Jesaja 45:24.
2. Wat hij hoopt.
A. Hij hoopt dat God hem niet zal verlaten in zijn ouderdom, maar tot het einde toe dezelfde voor hem zijn zal, die Hij totnutoe voor hem geweest is, vers 16, 17.
Merk hier op: a. Wat God voor hem gedaan heeft toen hij jong was. Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan. Voor de goede opvoeding en het goede onderricht, dat zijn ouders hem gegeven hebben toen hij jong was, erkent hij verplicht te zijn om God te danken als voor een grote gunst. Het is een grote zegen om van onze jeugd af door God geleerd te zijn, om van onze kindsheid af de Heilige Schriften te kennen. en wij hebben reden om er God voor te danken.
b. Wat hij voor God op middelbare leeftijd gedaan heeft: hij had Zijn wonderen verkondigd Zij, die goed hebben ontvangen toen zij jong waren, moeten goed doen als ze volwassen zijn, en moeten voortgaan met mee te delen wat zij ontvangen hebben. Wij moeten erkennen dat al de werken van Gods goedheid jegens ons wonderen zijn, bewonderende dat Hij zoveel doet voor ons, die het niet verdienen, en wij moeten het ons ten taak stellen dat te verkondigen tot eer van God en tot welzijn van anderen.
c. Wat hij van God begeerde nu hij oud was, terwijl de ouderdom en de grijsheid daar is, nu ik stervende ben voor deze wereld en mij heenspoed naar een andere, verlaat mij niet, o God! Dit is het, wat hij vurig begeert en met vertrouwen hoopt. Zij, die van hun jeugd aan door God geleerd zijn en het tot hun levenswerk gemaakt hebben Hem te eren, kunnen er zeker van zijn dat Hij hen niet zal verlaten als zij oud en grijs zijn geworden, hen niet hulpeloos en troosteloos zal laten, maar de kwade dagen van de ouderdom tot hun beste dagen zal maken, zodat zij er nog lust in zullen hebben.
d. Wat hij voornemens was voor God te doen in zijn ouderdom: ik zal niet alleen Uw macht verkondigen naar mijn eigen ervaring ervan, aan dit geslacht, maar ik zal hetgeen ik er van opgemerkt heb in de geschiedenis vermelden tot nut en voordeel van het nageslacht, en haar dus aan alle nakomelingen verkondigen. Zolang als wij leven moeten wij er naar streven om God te verheerlijken en elkaar te stichten, en zij, die de meeste en de langdurigste ondervinding hebben gehad van Gods goedheid jegens hen, moeten hun ervaringen gebruiken ten nutte van hun vrienden. Het is een schuld, die de oude discipelen van Christus aan het navolgende geslacht te betalen hebben, namelijk een plechtig getuigenis na te laten van de kracht, het genot en het voordeel van de Godsdienst en van de waarheid van Gods beloften.
B. Hij hoopt dat God hem levend zal maken, en hem uit zijn tegenwoordige troosteloze toestand weer zal opheffen, vers 20 Gij, die mij vele benauwdheden en rampen hebt doen zien, meer dan aan de meeste mensen, zult mij weer levend maken. De besten van Gods heiligen en dienstknechten worden soms door vele en grote benauwdheden beproefd in deze wereld. Gods hand moet in al de beproevingen van de heiligen gezien worden, en dat zal er toe bijdragen om ze te verzachten en ze licht te doen schijnen. Hij zegt niet: "Gij hebt mij belast met deze benauwdheden", maar "Gij hebt ze mij doen zien, " zoals de tedere vader aan het kind de roede doet zien om het in ontzag te houden. Al wordt Gods volk ook nog zo naar de diepte gebracht, Hij kan hen opheffen uit de diepte en ben levend maken, Zijn zij begraven, uit het hart vergeten als een dode, Hij kan hen weer ophalen uit de afgronden van de aarde, kan de neergebogen geest bemoedigen. Als wij behoorlijk de hand Gods zien in onze benauwdheden, dan kunnen we ons verzekerd houden dat wij er te bestemder tijd uit gered zullen worden. Onze tegenwoordige beproevingen hoewel zij groot en zwaar zijn, zullen onze blijde opstanding uit de diepten van de aarde niet verhinderen, getuige onze grote Meester, op wie dit enigermate zien kan, Zijn Vader heeft Hem vele en grote benauwdheden doen zien, maar Hem levendgemaakt en Hem opgevoerd uit het graf. C. Hij hoopt dat God hem niet alleen uit zijn benauwdheden zal redden, maar zijn eer en zijn blijdschap meer dan ooit zal doen toenemen, vers 21. "Gij zult mij niet slechts in mijn grootheid herstellen, maar haar nog doen toenemen en mij na deze schok nog meer invloed geven, dan ik tevoren gehad heb, Gij zult mij niet slechts vertroosten, maar mij van rondom vertroosten, zodat ik nergens iets zwarts of dreigends ontwaar." Soms doet God de rampen en benauwdheden van Zijn volk medewerken om hun grootheid te doen toenemen, en hun zon schijnt te helderder na onder een wolk geweest te zijn. Als Hij ze doet meewerken ter vermeerdering van hun Godsvrucht, dan zal dit in het einde blijken de vermeerdering te zijn van hun grootheid, hun eer, en als Hij hen van rondom vertroost naar de tijd en de mate, waarin Hij hen van rondom beproefd heeft, dan zullen zij geen reden hebben tot klagen. Toen onze Heere Jezus weer opgewekt was en weer teruggebracht van uit de diepten van de aarde, was Zijn grootheid vermeerderd, en ging Hij in tot de vreugde, die Hem was voorgesteld.
D. Hij hoopt dat al zijn vijanden beschaamd zullen worden, vers 24. Hij spreekt er van met de grootste verzekerdheid als van een zaak, die geschied is, en dienovereenkomstig verblijdt hij er zich in, zij zijn beschaamd, zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken. Zijn eer zal hun schande wezen, en zijn vertroosting hun kwelling.
Il. Laat ons nu zien hoe zijn hart verruimd is in blijdschap en lof, hoe hij zich verblijdt in hope en zingt in hope, want wij zijn in hope zalig geworden.
1. Hij zal spreken van Gods gerechtigheid en heil als van grote dingen, dingen, waarmee hij goed bekend was, en waarvan hij wenste dat God de eer zal ontvangen en anderen de troostrijke kennis van zullen hebben, vers 15. Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, en Uw heil, en wederom in vers 24, mijn tong zal Uw gerechtigheid uitspreken, en dat wel de gehele dag. In Gods gerechtigheid, waardoor David hier zeer bijzonder aangedaan is, ligt zeer veel opgesloten de rechtheid van Zijn natuur de billijkheid van de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, de rechtvaardige wetten, die Hij ons gegeven heeft om er door geregeerd en bestuurd te worden, en de eeuwige gerechtigheid, die Zijn Zoon heeft aangebracht ter onzer rechtvaardigmaking. Gods gerechtigheid en Zijn heil zijn hier saamgevoegd, laat niemand ze willen scheiden, en laat niemand heil verwachten zonder gerechtigheid, Psalm 50:23. Als deze twee tot de voorwerpen zijn gemaakt van onze begeerte, laat die dan ook tot het onderwerp worden gemaakt van onze gesprekken, en dat wel de gehele dag, want het zijn onderwerpen die nooit dor of droog kunnen worden.
2. Hij zal er van spreken met verwondering en bewondering als iemand, die verbaasd is over de grootheid van de Goddelijke liefde en genade, haar hoogte en diepte, haar lengte en breedte, Hoewel ik de getallen niet weet,. Hoewel ik geen nauwkeurig bericht kan geven van Uw gunsten jegens mij, daar zij zovele en zo groot zijn, indien ik ze zou willen tellen, zij "zijn menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen," Psalm 40:6 maar wetende dat zij talloos zijn, zal ik er toch van spreken want ik zal er nieuwe stof in vinden om God loven. De gerechtigheid, die in God is, is zeer hoog, hetgeen door Hem gedaan is voor Zijn volk is zeer groot, veeg beide tezamen, en wij zullen zeggen: o God wie is U gelijk? Dit is God te loven, te erkennen dat Zijn volmaaktheden en verrichtingen:
a. Boven onze bevatting zijn, zij zijn zeer hoog en zeer groot, zo hoog, dat wij ze niet kunnen vatten, zo groot, dat wij ze niet kunnen begrijpen. b. Zonder weerga, geen wezen is Hem gelijk geen werken zijn als de Zijne. O God, wie is U gelijk? Niemand in de hemel, niemand op de aarde, geen engel, geen koning. God is onvergelijkelijk, ongeëvenaard, wij loven Hem niet op de rechte wijze, als wij Hem niet als zodanig erkennen.
3. Hij zal ervan spreken met al de uitdrukkingen van blijdschap en gejuich, vers 22, 23.
Merk op:
A. Hoe hij God zal beschouwen in zijn loven van Hem.
a. Als een getrouw God, ik zal U loven, Uw trouw. God wordt bekend gemaakt door Zijn woord, als wij dat woord en de waarheid ervan loven, dan loven wij Hem. Door het geloof zetten wij er ons zegel op dat God getrouw is, en zo loven wij Zijn trouw.
b. Als een God in verbond met Hem. Mijn God, die ik als de mijne erkend heb. Evenals in onze gebeden, zo moeten wij in onze lofzeggingen tot God opzien als tot onze God, en Hem er de eer voor geven, dat wij deel aan Hem hebben en in betrekking tot Hem staan.
c. Als de Heilige Israëls, Israëls God op bijzondere wijze, heerlijk in Zijn heiligheid onder dat volk en getrouw aan Zijn verbond met hen. Het is Gods eer dat Hij een Heilige is, het is de eer Zijn volks dat Hij de Heilige Israëls is.
B. Merk op hoe hij uiting zal geven aan zijn blijdschap en gejuich:
a. Met zijn hand, in heilige muziek, met de luit en de harp. In het bespelen van deze muziekinstrumenten heeft David uitgemunt, en zijn beste bekwaamheid zal aangewend worden om Gods lof er zo door te verhogen, dat anderen erdoor getroffen zullen worden.
b. Met zijn lippen in heilig gezang: "Ik zal U psalmzingen tot Uw eer en met de begeerte om U welgevallig te zijn. Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, wetende dat zij nergens beter voor gebruikt kunnen worden."
c. In beide met zijn hart, en mijn ziel, die Gij verlost hebt. Heilige blijdschap is het hart en het leven van dankbare lof. Wij psalmen de Heere niet in het zingen van Zijn lof, als wij het niet doen met ons hart. Mijn lippen zullen juichen, maar dat betekent niets, Lippenwerk, al is het ook nog zo goed bewerkt, is, zo dit alles is, slechts verloren arbeid in het dienen van God, de ziel moet aan het werk zijn, met al wat binnen in ons is moeten wij Zijn heilige naam loven want anders is alles aan ons van weinig waarde. Verloste zielen behoren vrolijke dankbare zielen te wezen. Het werk van de verlossing moet boven alle andere van Gods werken door ons bezongen worden in onze lof. Het Lam, dat geslacht is en ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed, moet daarom alle lof en dankzegging waardig geacht worden.