Psalm 6:9-11
Welk een plotselinge verandering ten goede hebben wij hier! Hij, die heeft gezucht en geweend, alles als verloren had opgegeven, vers 7, 8, spreekt hier op zeer lieflijke wijze. Hij had zijn beden opgezonden tot God, Hem zijn zaak overgegeven, en nu vertrouwt hij dat de uitkomst goed en gunstig voor hem zal zijn, en dat zijn droefheid in blijdschap zal worden verkeerd.
1. Hij onderscheidt zich van de bozen en goddelozen, en versterkt zich tegen hun beledigingen, vers 9. Wijkt van mij, al gij werkers van de ongerechtigheid Toen hij in de diepte was van zijn ellende:
a. Vreesde hij dat God hem zijn deel zou geven met de werkers van de ongerechtigheid, maar nu deze wolk van neerslachtigheid weggevaagd is, is hij er van verzekerd dat zijn ziel niet weggeraapt zal worden met de goddelozen, want zij zijn Zijn volk niet. Hij begon te vrezen dat hij tot hen behoorde, vanwege de zware druk van Gods toorn op hem, maar nu zijn al zijn angsten gestild, en nu zegt hij hun van hem te wijken, want hij weet-dat zijn deel is onder de uitverkorenen.
b. De werkers van de ongerechtigheid hadden hem getergd en gehoond, en hem gevraagd: "Waar is uw God?" juichende in zijn vertwijfeling en wanhoop, maar nu kan hij hen van antwoord dienen, die hem hadden gesmaad, want God zal in genade tot hem wederkeren Hij had zijn ziel reeds vertroost, en weldra zal hij zijn verlossing voltooien.
c. Misschien verzochten zij hem om te doen zoals zij deden, zijn Godsdienst te laten varen, en zich om rust en verlichting te vinden aan de genietingen van de zonde over te geven. Maar nu: "Wijkt van mij, ik zal nooit het oor lenen aan uw raad, gij zoudt mij God hebben willen doen vloeken om dan te sterven, maar ik zal Hem zegenen en leven". Dit goede gebruik moeten wij maken van Gods goedertierenheden over ons: ons besluit moet er door versterkt worden om nooit iets meer met zonde en zondaren van doen te hebben. David was een koning, en hij gebruikt deze gelegenheid om zijn voornemen te vernieuwen om zijn macht aan te wenden ter bestrijding van zonde en ter hervorming van de zeden, Psalm 75:5..
d. Als God grote dingen voor ons gedaan heeft, dan moet ons dit er toe brengen om te bedenken wat wij nu kunnen doen voor Hem. Onze Heere Jezus schijnt deze woorden aan de mond van zijn vader David te ontlenen als Hij, wanneer Hem al het oordeel overgegeven is, zal zeggen, "Wijkt van mij af, al gij werkers van de ongerechtigheid" Lukas 13:27., en leert ons aldus om dit nu te zeggen, Psalm 119:115.
2. Hij is er van verzekerd dat God hem genadig was, en niettegenstaande tegenwoordige aanduidingen van toorn, hem ook verder genadig zijn zal. Hij is er van overtuigd dat hij een genaderijk antwoord zal ontvangen op het gebed, dat hij nu tot Hem opzendt. Terwijl hij nog spreekt, bemerkt hij dat God hoort, zoals Jesaja 65:24, Daniël 9:20, 21, en daarom spreekt hij alsof de zaak reeds geschied was, en verhaalt met gejuich: De Heere heeft de stem mijns geweens gehoord, en wederom: De Heere heeft mijn smeking gehoord. Door de werkingen van Gods genade in zijn hart wist hij dat zijn gebed genadiglijk was aangenomen, en daarom twijfelde hij niet of het zou ter bestemder tijd ook verhoord worden. Zijn tranen hadden een stem, een luide stem in de oren van de God van barmhartigheid, de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord. Stille tranen zijn niet sprakeloos, zijn gebeden waren een roepen tot God: de Heere heeft mijn smeking gehoord heeft er Zijn fiat Het zij zo, bij gesproken en weldra zal dit blijken. Daaruit leidt hij de genadige verhoring af van al zijn andere gebeden. "Hij heeft de stem mijner smeking gehoord en daarom zal Hij mijn gebed aannemen, want Hij geeft en verwijt niet dat Hij tevoren reeds gegeven heeft.
3. Hij bidt voor zijn vijanden en vervolgers of hij voorzegt hun ondergang, vers 11. Het kan zeer goed opgevat worden als een gebed om hun bekering. "Laat hen allen beschaamd worden om de tegenstand, die zij mij geboden hebben, en de afkeuringen, die zij over mij hebben uitgesproken. Laat hen gelijk alle boetvaardigen op zichzelf vertoornd zijn om hun dwaasheid, laat hen tot een betere gemoedsstemming komen en zich schamen over hetgeen zij tegen mij gedaan hebben". Als zij niet bekeerd worden, dan is het een voorzegging van hun beschaming en hun verderf. Zij zullen beschaamd en zeer geërgerd wezen (aldus kan de zin ook gelezen worden) en dat wel zeer terecht: zij juichten er in dat David gekweld was, vers 3, 4, en daarom keert dit als gewoonlijk op henzelf terug, ook zij zullen gekweld worden. Zij, die Gode geen eer willen geven, zullen tot in eeuwigheid beschaamd worden.
Bij het zingend en biddend overdenken hiervan moeten wij eer geven aan God als een God, die bereid is het gebed te horen, Zijn goedheid jegens ons erkennen in Zijn verhoren van ons gebed, en wij moeten onszelf aanmoedigen om op Hem te wachten, en ook in de grootste moeilijkheden en het zwaarste lijden op Hem te vertrouwen.