Psalm 65:1-6
De psalmist komt hier met geen bijzondere belangen van zichzelf tot de troon van de genade, maar als overste van de vergadering en als haar mond richt hij het woord tot God.
Merk op:
I. Hoe hij Gode eer geeft, vers 2 :
1. Door nederige dankbaarheid. De lofzang wacht u, o God, in Sion wacht U in de verwachting van de begeerden zegen, wacht totdat hij komt opdat hij bij de eerste nadering met dankbaarheid zal worden ontvangen. Als God tot ons komt met Zijn gunsten, dan moeten wij uitgaan om Hem te ontmoeten met onze lof en wachten totdat de dag aanbreekt. De lof wacht met algehele voldoening in Uw heilige wil en vertrouwen op Uw goedertierenheid, als wij bereid zijn om in alles te danken, dan wacht de lofzang op God. De lofzang wacht op Uw aanneming, de levieten "de knechten des Heeren, die des nachts in het huis des Heeren staat" gereed om op het bestemde uur hun lofzangen te zingen, Psalm 134:1. 2, en aldus wachtte Hem hun lofzang. De lof is stil tot U, zo is het in het Hebreeuws, als de woorden ontbraken om de grote goedheid des Heeren uit te drukken, en als in stille bewondering ervan gelijk er heilige onuitsprekelijke zuchtingen zijn zo zijn er ook heilige onuitsprekelijke aanbiddingen, maar die toch aangenomen zullen worden door Hem, die de harten doorgrondt en weet welke de mening des Geestes zij. Onze lof is stil opdat de lof van de engelen, die uitmunten in kracht, gehoord zal worden. Laat het Hem niet verteld worden als ik spreek, want zo iemand het beproeft om al Gods lof te verkondigen, "hij zou gewis verslonden worden," Job 37:20. "Voor U wordt de lof als stille geacht," aldus de Chaldeeër, zo ver is God boven allen lof van ons verheven. De gehele wereld is aan God lof verschuldigd, meer alleen in Zion wacht Hem de lof, in Zion, in Zijn kerk, onder Zijn volk. Al Zijn werken loven Hem, zij geven stof tot lof, maar alleen Zijn heiligen loven Hem door wezenlijke aanbidding. De kerk van de verlosten zingt haar nieuw gezang op de berg Zion, Openbaring 14:1,3. In Zion is Gods woning, Psalm 76:3. Zalig zij, die daar bij Hem wonen, want zij zullen Hem nog loven.
2. Door oprechte trouw. U zal de gelofte betaald worden, het offer, dat beloofd was, zal geofferd worden. Wij zullen in onze dankzegging aan God voor ontvangen zegeningen niet aangenomen worden, zo wij niet nauwgezet de geloften betalen, die wij gedaan hebben toen wij die zegeningen hebben gezocht, want het is beter geen geloften te doen dan geloften te doen en ze niet te betalen.
II. Waarom hij Hem eer geeft.
1. Omdat Hij het gebed hoort, vers 3. De lof wacht U, en waarom is hij zo bereid en gereed?
a. Omdat Gij bereid zijt om onze bede toe te staan. O Gij, die het gebed hoort Gij kunt elk gebed verhoren, want Gij zijt machtig meer dan overvloedig te doen boven al wat wij kunnen bidden of denken, Efeziers 3:20, en Gij zult ieder gebed des geloofs verhoren." Het strekt zeer tot eer van Gods goedheid en tot aanmoediging van de onze, dat Hij een God is, die het gebed hoort, en dit tot een van Zijn eretitels heeft aangenomen, en wij blijver zeer in gebreke, als wij Hem niet bij alle gelegenheden deze titel geven. b. Omdat wij daarom zo gereed zijn om tot Hem te gaan, als wij in nood zijn. Daarom, omdat Gij een God zijt, die het gebed hoort, zal tot U alle vlees komen, met recht wacht U ieders lof, omdat ieders gebed tot U opgaat, als zij in nood of benauwdheid zijn, wat zij op andere tijden ook mogen doen. Thans komt alleen het zaad Israëls tot U, en zij, die hun Godsdienst hebben aangenomen, maar als Uw huis een bedehuis genoemd wordt door alle volkeren, dan zal alle vlees tot U komen, en welkom wezen, Romeinen 10:12, 13. Laat ons dan tot Hem komen met vrijmoedigheid komen, omdat Hij een God is, die het gebed hoort.
2. Omdat Hij de zonde vergeeft. "Wie is een God, gelijk Hij hierin?" Micha 7, 18 Daarmee maakt Hij Zijn naam bekend, Exodus 34:7, en daarom wacht Hem dieswege de lof, vers 4. "Onze zonden reiken tot de hemel, ongerechtigheden hebben de overhand over ons, en schijnen zo talrijk, zo snood, dat wij, als zij ordelijk voor ons gesteld worden, vol zijn van schaamtegevoel en gereed zijn om tot wanhoop te vervallen. Zij hebben zo de overhand over ons dat wij niet kunnen wanen er onze gerechtigheden tegen te doen opwegen, zodat, als wij voor God verschijnen, ons eigen geweten ons beschuldigt, en wij er niets op hebben te antwoorden. En toch zult Gij door Uw eigen vrije genade en ter wille van een gerechtigheid, die Gij zelf aanbrengt, onze ongerechtigheden verzoenen, zodat wij er niet om in de verdoemenis komen." Hoe groter ons gevaar is door de zonde, hoe meer reden wij hebben om de macht en de rijkdom van Godsgenade te bewonderen, die de dreigende kracht van onze menigvuldige overtredingen en onze zonden krachteloos kan maken.
3. Vanwege het vriendelijk onthaal, dat Hij hun geeft, die tot Hem komen, en de vertroosting, die zij smaken in gemeenschapsoefening met Hem. De ongerechtigheid moet eerst verzoend worden, vers 4, en dan zijn wij welkom om rondom Gods altaren te gaan, vers 5. Zij, die in gemeenschap komen met God, zullen gewis ware gelukzaligheid vinden, en grote voldoening smaken in die gemeenschap.
A. Zij zijn welgelukzalig. Niet alleen het volk is gelukzalig, Psalm 33:12, maar welgelukzalig is de mens, de particuliere persoon hoe gering hij ook zij, die Gij verkiest en doet naderen, dat hij wone bij Uw voorhoven, hij is een gelukkige mens, want hij heeft het stelligste teken van Gods gunst en het zekerste onderpand van de eeuwigdurende gelukzaligheid.
Merk hier op:
a. Wat het is, om in gemeenschap met God te komen ten einde deze zaligheid deelachtig te worden.
Ten eerste. Het is tot Hem te naderen, ten einde in verbond met Hem te komen, het is Hem onze beste genegenheden te wijden, onze begeerten naar Hem te laten uitgaan, het is met Hem te spreken, als met een, die wij beminnen en waarderen.
Ten tweede. Het is te wonen in Zijn voorhoven, zoals de priesters en Levieten, die thuis waren in Gods huis, het is bestendig te zijn in de uitoefening van de Godsdienst, er ijverig in te zijn, zoals wij het zijn voor de werkzaamheden van onze woning.
b. Hoe wij in gemeenschap met God komen, niet aanbevolen door enigerlei verdienste van onszelf, of door iets, dat wijzelf bedacht of gedaan hebben, maar door de vrije keus van God. "Welzalig is hij, die Gij verkiest, en aldus onderscheidt van anderen, die gelaten worden, aan zichzelf worden overgelaten," en het is door Zijn krachtige, bijzondere genade, ingevolge die verkiezing, die Hij verkiest, doet Hij naderen, Hij loodst hen niet slechts, maar neigt hen er toe om lot Hem te naderen, en stelt hen er toe in staat. Hij trekt hen, Johannes 6:44.
B. Zij zullen verzadigd worden. Hier verandert de psalmist de persoon, niet: hij, de man, die gij verkiest, maar wij zullen, hetgeen ons leert, om de beloften op onszelf toe te passen, en er door een werkzaam geloof onze namen op te zetten. Wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, van Uw heilige tempel. Gods heilige tempel is Zijn huis, daar woont Hij, waar Zijn inzettingen bediend worden. God houdt een goed huis, er is overvloed van het goede in Zijn huis: gerechtigheid, genade en al de vertroostingen en kostelijkheden van het eeuwig verbond, er is genoeg voor allen, genoeg voor ieder, het is bereid en gereed, en alles zonder geld en zonder prijs. In die dingen is hetgeen de ziel verzadigt, en door hetwelk alle Godvruchtige zielen verzadigd zullen worden. Laat hen het genot smaken van gemeenschap met God, dat is hun genoeg, meer begeren zij niet.
4. Om de heerlijke werkingen van Zijn macht tot hun behoeve, vers 6. Vreeslijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God van ons heil. Dit kan verstaan worden van de bestraffingen, die God in Zijn voorzienigheid soms geeft aan Zijn eigen volk, dikwijls antwoordt Hij hun door vreeslijke dingen, om hen te doen opwaken, maar altijd in gerechtigheid. Hij doet hun geen onrecht, en bedoelt hun kwaad niet want zelfs dan is Hij de God huns heils. Zie Jesaja 45:15. Maar het moet veeleer verstaan worden van Zijn oordelen over hun vijanden, God antwoordt op de gebeden van Zijn volk door de verwoestingen, die Hij om hunnentwil aanricht onder de heidenen, en de vergelding, die Hij doet aan hun trotse verdrukkers als een rechtvaardig God, de God, wiens de wrake is, en als de God, die Zijn volk beschermt en behoudt. Wonderbare dingen zo lezen het sommigen, dingen, die zeer verrassend zijn, en die wij niet hebben verwacht, Jesaja 64:3. Of dingen, die ons vervullen met ontzag, zult Gij ons antwoorden. De heilige vrijheid, die ons vergund is in Gods voorhoven, en ons dicht naderen tot Hem, moeten niets afdoen aan onze eerbied voor Hem en aan onze Godvruchtige vreze, want Hij is vreeslijk uit Zijn heiligdommen.
5. Om de zorg, die Hij heeft voor al Zijn volk, hoe ook in benauwdheid, en waarheen zij ook verspreid zijn, Hij is het verlangen aller einden van de aarde, van al de heiligen over de gehele wereld, en niet alleen van hen, die van het zaad Israëls zijn, want Hij is de God van de heidenen zowel als van de Joden, het vertrouwen van hen, die verre zijn van Zijn heilige tempel en zijn voorhoven, die wonen in de eilanden van de volken, of die in nood zijn op zee. Zij vertrouwen op U, en roepen U aan, als zij ten einde raad zijn, Psalm 107:27, 28. Door geloof en gebed kunnen wij onze gemeenschap met God onderhouden en troost van Hem verlangen, waar wij ook zijn, niet alleen in de plechtige vergadering van Zijn volk, maar ook ver weg op de zee.