Psalm 61:6-9
In deze verzen kunnen wij opmerken:
1. Met welk een welgevallen David terugziet op hetgeen God tevoren voor hem gedaan heeft, vers 6. Gij, o God, hebt gehoord naar mijne geloften, dat is,
a. "De geloften zelf die ik gedaan heb en waarmee ik mijn ziel verbonden heb, Gij hebt er kennis van genomen-Gij hebt ze aangenomen, omdat zij in oprechtheid werden gedaan, en Gij had er een welgevallen aan, Gij zijt ze indachtig geweest, en Gij hebt er mij aan herinnerd," God heeft Jakob herinnerd aan zijn geloften, Genesis 31:13, 35:1. God is getuige van al onze geloften, al onze goede voornemens en al onze plechtige beloften van vernieuwde gehoorzaamheid. Hij houdt er rekening van, hetgeen een goede reden voor ons moet wezen, zoals zij het hier voor David geweest is, waarom wij onze geloften zullen betalen, vers 9. Want Hij, die de geloften, welke wij gedaan hebben, gehoord heeft zal er ons van doen horen zo wij ze niet betalen.
b. De gebeden, die deze geloften hebben vergezeld, die hebt Gij genadiglijk gehoord en verhoord", hetgeen hem thans aanmoedigde om te bidden: o God, hoor mijn geschrei. Hij die nog nooit tot het zaad Jakobs gezegd heeft: Zoek Mij tevergeefs, zal nu niet beginnen dit te zeggen. "Gij hebt gehoord naar mijn geloften, en Gij hebt ze beantwoord, want Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw naam vrezen." Er is een bijzonder volk in de wereld, die Gods naam vrezen, die met heilige eerbied al de ontdekkingen aannemen, die het Hem behaagt van zichzelf te doen aan de kinderen van de mensen, en er zich naar schikken. Er is voor dat bijzondere volk een bijzonder erfdeel: tegenwoordige vertroostingen als voorsmaak en onderpand van hun toekomstige zaligheid. God zelf is hun erfdeel, hun deel tot in eeuwigheid. De Levieten die God tot hun erfdeel hadden, moesten met Hem tevreden zijn en geen deel verwachten als dat van hun broeders, zo hebben zij, die God vrezen, ook genoeg in Hem, en moeten niet klagen als zij slechts weinig van de wereld hebben. Wij behoeven geen beter erfdeel te begeren dan dat van hen, die God vrezen Als God met ons handelt zoals Hij pleegt te handelen met hen, die Zijn naam liefhebben, dan behoeven wij niet te begeren dat er beter met ons zal gehandeld worden.
2. Met welk een verzekerdheid hij de voortduur zijns levens verwacht, vers 7. Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen. Dit kan verstaan worden, hetzij:
a. Van hemzelf, indien het geschreven was voordat hij tot de troon was gekomen, kon hij, door Samuël gezalfd zijnde en wetende wat God in Zijn heiligheid had gesproken, toch in het geloof zich de koning noemen, al was hij nu ook vervolgd en vogelvrij verklaard, of misschien was het geschreven toen Absalom hem zocht te onttronen en hem tot ballingschap noodzaakte. Er waren er, die zijn leven zochten te verkorten, maar hij vertrouwde dat God zijn leven zou verlengen, hetgeen Hij deed naar de leeftijd des mensen, door Mozes aangeduid dat is: zeventig jaren, die, doorgebracht zijnde in het dienen van zijn geslacht naar de raad Gods Handelingen 13:36, als vele geslachten gerekend kunnen worden, omdat het door hem aan vele geslachten er te meer wel om zal gaan. Zijn besluit was om in eeuwigheid in Gods tabernakel te verkeren, vers 5, in de weg van de plicht, en nu is het zijn hoop dat hij eeuwig voor Gods aangezicht zal zitten in de weg van de vertroosting en lieflijkheid. Diegenen blijven nuttig en met goed gevolg in deze wereld, die er voor Gods aangezicht ziten, die Hem dienen en wandelen in Zijn vreze, en zij, die dit doen, zullen eeuwig voor Gods aangezicht zitten. Hij spreekt van zichzelf in de derde persoon, omdat de psalm aan de opperzangmeester werd overgegeven ten gebruike van de kerk, en hij wilde dat het volk bij het zingen ervan bemoedigd zou worden door de verzekering dat hun koning, niettegenstaande de boosaardigheid van zijn vijanden, naar hun wens tot in eeuwigheid zal leven. Of,
b. Van de Messias, de Koning, van wie hij, David, een type was. Het was voor David een troost om te denken dat, hoe het hem ook mocht gaan, de jaren van de Gezalfde des Heeren zullen zijn als van geslacht tot geslacht, en dat van de grootheid van Zijn heerschappij en Zijn vrede geen einde zal zijn. De Middelaar zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten, want Hij verschijnt altijd voor Gods aangezicht voor ons en leeft eeuwig om voor ons te bidden, en omdat Hij leeft zullen ook wij leren.
3. Met welk een aandrang hij God bidt om hem onder Zijn bescherming te nemen en te houden: Bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. Gods beloften en ons geloof er aan moeten het gebed niet ter zijde stellen, maar opwekken en aanmoedigen. David is er zeker van dat God zijn leven zal verlengen, en daarom bidt hij dat Hij het zal behoeden. Niet, dat Hij hem een sterke lijfwacht zal bereiden, of een goed versterkte vesting, maar dat Hij goedertierenheid en waarheid zal bereiden om hem te bewaren, dat Gods goedertierenheid zal voorzien in zijn veiligheid overeenkomstig de belofte. Wij behoeven niet te wensen beter beveiligd te zijn dan onder de bescherming van Gods goedertierenheid en waarheid. Dit kan toegepast worden op de Messias. Laat Hem gezonden worden in de volheid van de tijd in vervulling van "de trouw aan Jakob en de goedertierenheid aan Abraham," Micha 7:20, Lukas 1:72, 73.
4. Met welke blijmoedigheid hij de gelofte doet van dankerkentenis, vers 9 :Zo zal ik Uw naam psalmzingen in eeuwigheid. Gods bewaring van ons roept ons om Hem er voor te loven, en wij moeten begeren te leven om Hem te kunnen loven. Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven. Wij moeten het loven van God tot het werk maken van onze tijd, tot het laatste toe, zolang als ons leven verlengd wordt moeten wij voortgaan met God te loven, en dan zal het tot ons werk gemaakt worden in de eeuwigheid, en zullen wij Hem loven tot in eeuwigheid, opdat ik mijn geloften betale dag bij dag. Zijn loven van God was op zichzelf reeds het betalen van zijn geloften, en het neigde zijn hart er toe om ook in andere opzichten zijn geloften te betalen. De geloften, die wij gedaan hebben, moeten wij nauwgezet vervullen. God te loven en Hem onze geloften te betalen, moet ons dagelijks en gestadig werk zijn, iedere dag moeten wij daar iets aan doen, omdat dit nog weinig genoeg is in vergelijking met hetgeen Hem toekomt, daar wij elken dag nieuwe zegeningen ontvangen, en als het ons voorkomt veel te zijn om dit dagelijks te doen, dan kunnen wij niet verwachten het eeuwiglijk te zullen mogen doen.