Psalm 56:9-14
Ten dage van zijn benauwdheid en vrees vertroost David zich met onderscheidene zaken.
I. Dat God bijzonder nota nam van al zijn smarten en kwellingen, vers 9.
1. Van al de ongemakken van zijn toestand. Gij hebt mijn omzwervingen geteld. David was nu nog een jonge man, nog geen dertig jaren oud, en toch had hij dikwijls heen en weer moeten trekken, zich dikwijls moeten verplaatsen, van het huis van zijn vader naar het hof, vandaar naar het leger, en was nu uitgedreven om te zien waar hij een verblijfplaats kon vinden, maar zonder dat het hem toegelaten werd ergens te rusten, gejaagd als een veldhoen op de bergen. Verschrikkingen en vermoeienissen volgden zijn voetstappen, maar dit vertroostte hem, dat God bijzonder rekening hield van al zijn omzwervingen, al de moeizame voetstappen telde, die hij deed bij nacht en bij dag God neemt kennis van al de beproevingen van Zijn volk, en Hij bant hen niet uit van Zijn zorg en liefde, die de mensen uit hun bekendheid en hun omgang hebben gebannen.
2. Van al de indrukken, die op zijn gemoed werden gemaakt. Als hij aldus omzwierf, heeft hij dikwijls geweend, en daarom bidt hij, "Leg mijn tranen in Uw fles om bewaard en beschouwd te worden, ja, ik weet dat zij in Uw register, in Uw gedenkboek, zijn. God heeft een fles en een register voor de tranen van Zijn volk, beide voor die om hun zonden en om hun beproevingen. Dit geeft te kennen:
a. Dat Hij hen aanziet met mededogen tedere belangstelling, in hun benauwdheid is Hij benauwd, en in hun benauwdheid heeft Hij hun zielen gekend. Gelijk het bloed van Zijn heiligen en hun dood dierbaar zijn in (Gods ogen, zo zijn dit ook hun tranen, geen er van zal ter aarde vallen. "Ik heb hun tranen gezien," 2 Koningen 20:5. "Ik heb wel gehoord dat zich Efraïm beklaagt," Jeremia 31:18.
b. Dat Hij hen zal gedenken, hen zal overzien, hen zal onderzoeken, zoals wij doen met rekeningen. Paulus gedacht aan de tranen van Timotheus, 2 Timotheus 1:4 en God zal de smarten van Zijn volk niet vergeten. De tranen van Gods vervolgd volk zijn in een fles gedaan en verzegeld onder Gods schatten, en als deze boeken geopend zullen worden, dan zullen zij bevonden worden fiolen des toorns te zijn, die uitgegoten zullen worden over hun vervolgers, met wie God gewis zal afrekenen, vooral de tranen, die zij uit de ogen Zijns volks geperst hebben, en dan zullen zij borsten van vertroostingen zijn voor Gods treurenden, wier zak in een gewaad des lofs zal veranderd worden. God zal Zijn volk vertroosten naar de tijd, waarin Hij het bedroefd heeft, en hun geven in blijdschap te maaien, die in tranen hebben gezaaid. Wat als een traan gezaaid werd, zal opkomen als een parel.
II. Dat zijn gebeden van kracht zullen zijn tot verderf en beschaming van zijn vijanden, zowel als tot zijn eigen ondersteuning en bemoediging, vers 10. "Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren ten dage als ik roepen zal, ik heb geen andere wapenen nodig dan gebed en tranen, dit weet ik, want God is met mij, vers 10, om mijne zaak voor te staan, om mij te beschermen en te verlossen, en, zo God voor mij is, wie kan dan zo tegen mij zijn om tegen mij te overmogen?" De heiligen hebben God voor zich, zij kunnen dit weten en tot Hem moeten zij roepen als zij van vijanden zijn omringd, en als zij dit doen in het geloof, dan zullen zij bevinden dat een Goddelijke macht voor hen wordt aangewend, hun vijanden zullen achterwaarts gekeerd worden, hun geestelijke vijanden, tegen wie het best gestreden wordt op de knieën, Efeziers 6:18. III. Dat zijn geloof in God hem verheffen zal boven de vrees voor de mens, vers 11, 12. Hier herhaalt hij op aandoenlijke wijze wat hij gezegd had in vers 5. In God zal ik het woord prijzen, ik zal vast steunen op de belofte om de wille van Hem, die haar gedaan heeft, die waarachtig en getrouw is, en die wijsheid, macht en goedheid genoeg heeft om haar na te komen." Als wij iemands wissel accepteren, dan eren wij de persoon die hem getrokken heeft, en als wij voor God werken en lijden in vertrouwen op Zijn belofte, er niet aan twijfelende, dan geven wij eer aan God, wij prijzen Zijn woord, en aldus prijzen wij Hem. Aldus zijn vertrouwen op God gesteld hebbende, ziet hij met heilige minachting neer op de dreigende macht des mensen. "Ik vertrouw op God, op Hem alleen, en daarom zal ik niet vrezen wat de mens mij kan doen, ofschoon ik zeer goed weet wat hij zou doen indien hij kon," vers 12. Dit triomfantelijke woord dat zo'n heilige grootheid van ziel aanduidt, legt de apostel in de mond van iederen gelovige, die hij tot een Christenheld maakt, Hebreeën 13:6. Een ieder van ons durft vrijmoedig zeggen: De Heere is mij een helper, en dan zal ik niet vrezen wat mij een mens zal doen, want hij heeft geen macht dan die hem van boven gegeven is.
IV. Dat hij aan God verbonden was, "God, op mij zijn Uwe geloften", vers 13 "niet als een last, waarmee ik beladen ben, maar als een kenteken, waarin ik roem, als hetgeen waardoor ik gekend word als Uw dienstknecht, niet op mij als boeien, die mij kluisteren, (bijgelovige geloften zijn dit) maar op mij als een teugel, die mij weerhoudt van hetgeen schadelijk voor mij zijn zou, en mij leidt in de weg van mijn plicht. Uw geloften zijn op mij, de geloften, die ik aan U gedaan heb, waarvan Gij niet slechts als een getuige, maar een belanghebbende zijt, en die Gij mij geboden en aangemoedigd hebt om te doen." Waarschijnlijk bedoelt hij inzonderheid die geloften, welke hij aan God gedaan heeft in de dagen van zijn benauwdheid en ellende, waaraan hij de herinnering wilde bewaren, en daar hij de verplichting van wilde erkennen, als zijn benauwdheid voorbij is. Het behoort ons een zaak van overdenking en blijdschap te wezen, dat Gods geloften op ons zijn, onze doopgeloften, vernieuwd aan de tafel des Heeren, onze geloften, die wij gedaan hebben, als wij onder overtuiging van zonde waren, of onder tuchtiging, door deze zijn wij verbonden om Gode te leven.
V. Dat hij al meer en meer gelegenheid zal hebben om Hem te loven: ik zal U dankzeggingen vergelden. Dat is een deel van de vervulling of betaling van zijn geloften, want geloften van dankzegging gaan voegzaam gepaard met de gebeden om genade, en als de zegen, de genade, ontvangen is, moet de gelofte betaald worden. Als wij ons afvragen wat wij Hem kunnen vergelden, dan is dit wel het minste waartoe wij kunnen besluiten: Gode dankzeggingen te vergelden. Een armoedige vergelding voor rijke gaven! Voor twee dingen zal hij God loven:
1. Voor hetgeen Hij voor hem gedaan heeft, vers 14. "Gij hebt mijn ziel, mijn leven, gered van de dood, die gereed was mij aan te grijpen." Als God ons gered heeft van zonde, hetzij van het bedrijven ervan door voorkomende genade, of van de straf er voor door vergevende genade, dan hebben wij reden om te erkennen dat Hij daardoor onze ziel van de dood heeft gered, die de bezolding is van de zonde. Indien wij, die van nature dood waren in de zonde, met Christus zijn opgewekt en geestelijk levend zijn gemaakt, dan hebben wij reden om te erkennen dat God onze ziel gered heeft van de dood.
2. Voor hetgeen Hij voor hem doen zal, "Gij hebt mijn ziel gered van de dood en mij aldus een nieuw leven gegeven en daarmee een onderpand van nog meerdere genade, dat Gij mijn voeten zult redden van aanstoot, Gij hebt het meerdere gedaan, en daarom zult Gij ook het mindere doen, Gij hebt een goed werk begonnen, en daarom zult Gij er mee voortgaan en het voleinden." Dit kan genomen worden, hetzij als een onderwerp van zijn gebed, pleitende op zijn ervaring, of als onderwerp van zijn lof, zijn verwachtingen opwekkende, en zij die weten te loven en te danken in geloof zullen God danken voor zegeningen in belofte en vooruitzicht zowel als voor zegeningen in bezit. Zie hier:
a. Wat David hoopt, dat God zijn voeten zal redden van aanstoot, van te vallen, hetzij in zonde, waardoor zijn geweten gewond zou worden, of in de schijn van zonde waaruit zijn vijanden aanleiding zouden nemen om zijn goede naam te wonden. Zij, die menen te staan, moeten toezien dat zij niet vallen, want de besten staan niet langer dan het God belieft hen staande te houden. Wij zijn zwak, onze weg is glibberig, er zijn vele struikelblokken op, onze geestelijke vijanden doen alles wat zij kunnen om ons neer te werpen, en daarom moeten wij door geloof en gebed ons van de zorg en hoede aanbevelen van Hem, die de voeten van Zijn gunstgenoten zal bewaren.
b. Waar hij deze hoop op bouwt, "Gij hebt mijn ziel gered van de dood, en daarin hebt Gij Uw macht en goedheid verheerlijkt, en mij instaat gesteld om nog meerdere zegeningen van U te ontvangen, zult Gij dan nu Uw eigen werk niet beveiligen en kronen?" God heeft Zijn volk nooit uit Egypte gebracht om hen in de woestijn te doden. Hij, die in de bekering de ziel gered heeft van zo'n grote dood als de zonde is, zal niet falen om haar te bewaren voor Zijn hemels koninkrijk.
c. Wat hij in deze hoop op het oog heeft, dat ik voor Gods aangezicht moge wandelen in het land van de levenden, dat is:
Ten eerste: "Dat ik in de hemel moge komen, het enige land van licht en leven, want in deze wereld heersen duisternis en dood."
Ten tweede. Dat ik mijn plicht moge doen zolang dit leven duurt." Dat is hetgeen wij op het oog moeten hebben in onze begeerten en verwachtingen van redding beide van zonde en benauwdheid, dat wij God te beter mogen dienen, opdat wij, verlost zijnde uit de handen onzer vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees.