Psalm 52:1-7
Het opschrift, vers 1, 2, is een korte samenvatting van de geschiedenis, waarop de psalm doelt. David zag nu eindelijk de noodzakelijkheid in om het hof te verlaten en voor zijn veiligheid te zorgen uit vrees voor Saul, die een en andermaal gepoogd had hem te vermoorden. Niet voorzien zijnde van wapenen en mondbehoeften, verkreeg hij door een list van Achimelech, de priester, om hem beide te verstrekken. Doëg, een Edomiet, die zich juist daar bevond, ging tot Saul om Achimelech aan te klagen, stelde hem voor als in verbond zijnde met een verrader, op welke beschuldiging Saul het zeer wreed bevel grondde om al de priesters om te brengen, en Doëg, de aanklager, werd belast met de volvoering van dit vonnis. 1 Samuël 22:9 en verv.
In deze verzen:
I. Bespreekt David de zaak met deze trotse geweldige, vers 3. Waarschijnlijk was Doëg geweldig of machtig ten opzichte van lichaamskracht, maar zo hij dit was, verkreeg hij er geen roem en eer voor door zijn gemakkelijke overwinning, behaald over ongewapende priesters des Heeren. Het is geen eer voor hen, die een zwaard dragen, om hen, die een efod dragen, te dreigen en te overbluffen. Maar hij was ook door zijn ambt een machtige, of geweldige, want hij was gesteld over de dienaren van Saul. Dat was hij, die zich beroemde niet alleen in de macht, die hij had om kwaad te doen, maar op het kwaad, dat hij deed. Het is slecht om kwaad te doen, maar erger is het om er zich op te beroemen, er in te roemen, als wij het gedaan hebben, zich niet alleen niet te schamen voor een boze daad maar haar te rechtvaardigen, haar niet alleen te rechtvaardigen, maar haar te prijzen, te verheerlijken, er zich op te laten voorstaan. Zij, die roemen in hun zonde, roemen in hun schande, en daardoor wordt zij nog schandelijker, machtige mensen zijn dikwijls boosaardige, kwaaddoende mensen, "die roemen over de wens van hun ziel," Psalm 10:3. Het is onzeker hoe de volgende woorden hier te pas gebracht worden. Gods goedertierenheid duurt toch de gehele dag Sommigen houden ze voor het antwoord van de goddelozen op deze vraag. Het geduld en de verdraagzaamheid Gods (de grote bewijzen van Zijn goedheid) worden misbruikt door de zondaars tot verharding van hun hart in hun boze wegen, omdat het oordeel over hun boze werken niet spoedig volvoerd wordt, ja, omdat God hun nog voortdurend goeddoet, roemen zij in kwaad alsof hun voorspoed in hun slechtheid een bewijs was dat er geen kwaad in steekt. Maar het moet veeleer genomen worden als een argument tegen hem, om aan te tonen:
1. Het zondige van de zonde. "Voortdurend doet God goed, en zij, die Hem hierin gelijken, hebben reden om daarin te roemen, maar gij doet voortdurend kwaad, en daarin zijt gij Hem ten enenmale ongelijk, gast gij tegen Hem in en toch roemt gij daar nog in.".
2. De dwaasheid ervan. "Gij denkt met het kwaad, waarin gij roemt, (dat zo listig beraamd en met zoveel voorspoed ten uitvoer werd gebracht) het volk van God terneer te werpen en te verderven, maar gij zult bevinden dat gij u vergist. Gods goedertierenheid duurt toch de gehele dag tot hun bewaring, en zo behoeven zij dan niet te vrezen wat de mens hun doen kan." Tevergeefs roemen de vijanden in hun kwaad, zolang wij Gods goedertierenheid hebben om in te roemen.
II. Hij brengt bij het hof des hemels een zware beschuldiging tegen hem in, zoals hij, Doëg, een zware beschuldiging bij Sauls hof tegen Achimelech had ingebracht, vers 4-6. Hij beschuldigt hem van boosheid van de tong (dat onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn) en boosheid van zijn hart, waar dat een blijk en bewijs van was. Hij legt hem vier dingen ten laste.
1. Kwaadaardigheid, zijn tong berokkent kwaad, steekt niet slechts als een naald, maar snijdt als een scherp scheermes. Smadelijke woorden, schimpredenen waren hem nog niet genoeg, hij beminde woorden van verslinding, woorden, die de priesters des Heeren, die hij haatte, ten verderve zouden brengen.
2. Leugen, het was een bedrieglijke tong waarmee hij dit kwaad deed, vers 6, hij beminde de leugen, vers 5, en dit scherpe scheermes werkte bedrog, vers 4, dat is: voordat hem deze gelegenheid gegeven was om zijn boosaardigheid tegen de priesters aan de dag te leggen, had hij zich schijnbaar vriendelijk jegens hen gedragen, ofschoon hij een Edomiet was, bezocht hij de altaren en bracht er zijn offeranden, en hij betoonde aan de priesters eerbied en achting, zo goed als een Israëliet, hierin deed hij zich geweld aan (want hij was opgehouden voor het aangezicht des Heeren) maar aldus verkreeg hij de gelegenheid om hun, zoveel te meer kwaad te doen. Of het kan ook zien op de aanbrenging zelf tegen Achimelech, want in substantie was het feit waar maar het was verkeerd voorgesteld, er waren valse kleuren aan gegeven, en daarom kon hij wel gezegd worden de leugen lief te hebben en een bedrieglijke tong te hebben. Hij zei de waarheid, maar niet de gehele waarheid, zoals een getuige behoort te doen. Had hij gezegd dat David Achimelech in de waan had gebracht, dat hij toen op een boodschap van Saul uit was, dan zou de vriendelijkheid, die hij hem had bewezen, niet alleen niet als verraad jegens Saul aangemerkt zijn geworden, maar opgevat zijn als een daad van eerbied en gehoorzaamheid jegens hem. Het zal de schuld van liegen niet van ons wegnemen, als wij kunnen zeggen: "Er was toch waarheid in hetgeen wij zeiden", indien wij die waarheid vervalsen en aldus de zaak anders doen schijnen dan zij was.
3. Listigheid in de zonde. "Uw tong brengt enkel schade, zij spreekt het kwaad, dat uw hart heeft beraamd. Hoe meer list en overleg er is in een boosheid, des te meer van de duivel er in is.
4. Liefde voor de zonde, "Gij hebt het kwade liever dan het goede, dat is: gij bemint het kwade, en hebt volstrekt geen liefde voor het goede gij schept behagen in liegen, en bekommert u er niet om om recht te doen. Ge wilt liever Saul behagen door een leugen te zeggen, dan God behagen door waarheid te spreken." Diegenen zijn van Goeds geest en gezindheid, die, inplaats van blij te zijn (zoals wij allen behoren te wezen), met een gelegenheid om iemand een vriendelijkheid te bewijzen, hem goed te doen, hetzij aan zijn lichaam, of zijn bezitting of zijn goede naam blijde zijn met een gelegenheid om iemand kwaad te doen, die gelegenheid gretig aangrijpen, dat is het kwade liever te hebben dan het goede. Het is slecht om woorden van verslinding te spreken, maar erger is het ze lief te hebben, hetzij in anderen, of in onszelf.
III. Hij kondigt de oordelen Gods tegen hem aan wegens zijn goddeloosheid, vers 7. Gij hebt de priesters des Heeren omgebracht, daarom zal God u afbreken in eeuwigheid." Bedrijvige zonen van de verderfenis zullen in lijdelijke zin zonen van de verderfenis worden, zoals Judas en de mens van de zonde. Verwoesters zullen verwoest worden, inzonderheid zij, die de priesters des Heeren haten en vervolgen en verwoesten en de dienstknechten Gods, en Zijn volk, dat door hem tot een koninklijk priesterdom is gemaakt, zullen met een haastig en eeuwig verderf weggenomen worden. Doëg wordt hier veroordeeld: 1. Om verdreven te worden uit de kerk: God zal u wegraken, u uit de tent uitrukken, niet uit uw woning, maar uit Gods woning, zo moet het waarschijnlijk verstaan worden. "Gij zult afgesneden worden van de gunst Gods, van Zijn tegenwoordigheid, van alle gemeenschap met Hem, en zult noch van orakel, noch van offerande voordeel of zegen ontvangen." Rechtvaardiglijk werd hij van al de voorrechten van Gods huis beroofd, die zo boosaardig en schadelijk was geweest voor Zijn dienstknechten. Soms was hij tot Gods tabernakel gekomen, had hij de plechtigheden bijgewoond in Gods voorhoven, maar hij was daar opgehouden, hij was Zijn dienst moe, en zocht een gelegenheid om Zijn gezin te belasteren, het was dus voegzaam, dat hij vandaar weggenomen, weggerukt zou worden, aan iemand, die ons aldus behandelde, zouden ook wij ons huis verbieden. Wij verbeuren de weldaad, het voordeel van de inzettingen, als wij er een slecht gebruik van maken.
2. Om verdreven te worden uit de wereld: "Hij zal u ontwortelen uit het land van de levenden waarin ge u zo diep geworteld dacht." Als Godvruchtige mensen sterven, de worden zij verplant van het land van de levenden op aarde, de kweekplaats van de planten van de gerechtigheid, in dat van de hemel, de hof des Heeren, waarin zij voor eeuwig geworteld zullen wezen, maar als goddeloze mensen sterven, worden zij ontworteld uit het land van de levenden, om voor eeuwig om te komen, als brandstof voor het vuur van de Goddelijken toorn. Dat zal het deel wezen van hen, die met God twisten.