Psalm 48:1-8
De psalmist is voornemens Jeruzalem te prijzen en de grootheid van die stad in het licht te stellen, maar hij begint met de lof van God en van Zijn grootheid, vers 2, en eindigt met de lof van God en van Zijn goedheid, vers 15 Want, wat ook het onderwerp is van onze lof God met er de Alfa en de Omega van zijn. Inzonderheid moet al wat tot eer van de kerk gezegd wordt, strekken tot eert van de God van de kerk.
Wat hier gezegd wordt tot eer van Jeruzalem is:
I. Dat de Koning des hemels haar erkent als de hare, zij is de stad van onze God, vers 2, die Hij uit al de steden van Israël verkoren heeft om er Zijn naam te stellen. Van Zion heeft Hij vriendelijker dingen gezegd dan van enigerlei andere plaats van de aarde: Dit is "Mijn rust tot in eeuwigheid, hier wil Ik wonen want Ik heb het begeerd," Psalm 132:14 Zij is de stad van de grote Koning, vers 3, van de Koning van de gehele aarde, wie het behaagt zich op bijzondere wijze daar tegenwoordig te verklaren. Onze Heiland haalt dit aan om te bewijzen, dat te zweren bij Jeruzalem is: op onheilige wijze bij God zelf te zweren Mattheus 5:35 want zij is de stad van de grote Koning, die haar gekozen heeft tot de bijzondere woning van Zijn genade zoals de hemel het is van Zijn heerlijkheid.
1. Zij is verlicht door de kennis van God. God is bekend in Juda, en Zijn naam is groot, meer inzonderheid te Jeruzalem, het hoofdkwartier van de priesters, wier lippen deze kennis moesten bewaren. In Jeruzalem is God groot, vers 2 van wie in andere plaatsen weinig of geen nota wordt genomen. Gelukkig het koninkrijk de stad, het geslacht, het hart, waarin God groot is, waarin Hij bovenaan, waarin Hij alles is. Daar is God bekend, vers 4, en waar Hij bekend is, zal Hij groot zijn, God wordt door niemand veracht dan door hen, die onbekend met Hem zijn.
2. Zij is gewijd aan de eer van God. Daarom wordt Zion "de berg van Zijn heiligheid" genoemd "want heiligheid des Heren" staat erop geschreven, evenals op al de tempelgereedschappen Zacheria 14:20, 21 Dit is het voorrecht van de kerk van Christus, dat zij een heilig volk is, een bijzonder volk, Jeruzalem, het type ervan wordt "de heilige stad" genoemd, hoe slecht zij ook was, Mattheus 27:53, totdat Christus' kerk werd opgericht, maar nooit daarna.
3. Zij is de plaats, bestemd en aangewezen voor de plechtige eredienst van God; daar wordt Hij grotelijks geprezen, en is Hij zeer te prijzen, vers 2 Hoe helderder ontdekkingen van God en zijn grootheid aan ons gedaan zijn, hoe meer van ons verwacht wordt overvloedig te zijn in Zijn lof. Zij, die uit alle delen van het land hun offeranden naar Jeruzalem brachten, hadden reden om dankbaar te zijn, niet alleen omdat God hun vergunde aldus tot Hem te naderen, maar omdat Hij beloofd had hen aan te nemen en hen tegen te komen met een zegen, en zich geprezen en geëerd te achten door hun dienst. Hierin was Jeruzalem een type van de Evangeliekerk, want het weinige schatting van lof, dat God van deze aarde ontvangt, komt uit die kerk op aarde, die daarom Zijn tabernakel is onder de mensen.
4. Om dit alles was Jeruzalem, en inzonderheid de berg Zion, waarop de tempel gebouwd was, algemeen bemind en bewonderd; schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde, is de berg Zion, vers 3. De ligging meest wel in alle opzichten aangenaam zijn, als de oneindige wijsheid haar gekozen heeft voor de plaats van Zijn heiligdom; en wat haar schoon maakte was dat het de berg was van Zijn heiligheid want in heiligheid is schoonheid. Deze aarde is door de zonde vol van mismaaktheid, en terecht mocht dus die plek gronds, die aldus versierd was door heiligheid, de vreugde van de gehele aarde genoemd worden, dat is: hetgeen waarin de gehele aarde reden had om zich in te verblijden, daar God aldus in werkelijkheid bij de mens op aarde wilde wonen. De berg Zion was aan de noordzijde van Jeruzalem, en moest aldus de stad beschutten tegen de koude schrale winden, die uit die hoek woelen, of indien fraai weer verwacht werd uit het noorden dan werden zij op Zion gewezen, om er naar uit te zien.
II. Dat de koningen van de aarde er bevreesd voor waren. Dat God bekend was in haar paleizen voor een hoog vertrek, daar hadden zij nu onlangs een merkwaardig voorbeeld van gehad, waarin dat ook bestaan moge hebben:
1. Zij hadden maar al te veel reden of aanleiding om hun vijanden te vrezen; want de koningen waren vergaderd, vers 5 De naburige vorsten hadden zich verbonden tegen Jeruzalem hun hoofden en hoornen, hun staatkundig beleid en hun macht, waren verenigd om die stad ten verderve te brengen; zij hadden geheel hun strijdmacht bijeengebracht, zij gingen door zij naderden, niet twijfelende of zij zouden zich weldra meester gemaakt hebben van de stad, die de vreugde had moeten wezen, maar de afgunst was, van de gehele aarde.
2. God maakte dat haar vijanden haar vreesden. Op de blote aanblik van Jeruzalem werden zij van schrik bevangen en werd hun woede in toom gehouden, zoals het gezicht op de tenten van Jakob Bileam schrok van zijn voornemen om Israël te vloeken, Numeri 24:2 Gelijk zij haar zagen, waren zij verwonderd, zij werden verschrikt, zij haastten zich weg. Het was niet: Veni, vidi, vici ik kwam, ik zag, ik overwon, maar integendeel, Veni, vidi, victus sum--ik kwam, ik zag, ik werd verslagen. Niet dat er in Jeruzalem iets te zien was, dat zo geducht, zo schrikwekkend was, maar het gezicht er van bracht hun voor de geest wat zij gehoord hadden betreffende de bijzondere tegenwoordigheid Gods in die stad en de Goddelijke bescherming, die er over was uitgestrekt-en God heeft hierdoor zo'n verschrikking in hun gemoed teweeggebracht dat zij zich in allerijl terugtrokken. Hoewel zij koningen waren hoewel zij talrijk waren, die zich met elkaar hadden verbonden, wisten zij toch dat zij tegen de Almacht niet waren opgewassen, en daarom greep beving hen aldaar aan en smart, Vers 7. God kan de stoutmoedigsten van de vijanden van Zijn kerk de moed benemen, en spoedig hen in pijn en smart doen komen, die gerust zijn. De schrik, die hen beving op het gezicht van Jeruzalem, wordt hier vergeleken bij de weeën van een barende vrouw, die scherp en smartelijk zijn, en soms plotseling opkomen, 1 Thessalonicenzen 5:3, die niet vermeden kunnen worden, en de uitwerkselen zijn van zonde en van de vloek. Het verijdelen hierdoor van hun plannen tegen Jeruzalem wordt vergeleken bij het werk, dat door een geweldigen storm aangericht wordt op een vloot van schepen, waarvan sommigen gespleten, anderen verbrijzeld, allen uit elkaar gedreven worden, "met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tarsis." De verschrikkingen Gods worden vergeleken bij een oostenwind Job 27:20, 21; deze zal hen in verwarring brengen, en al hun maatregelen verijdelen. "Wie kent de sterkte van Gods toorn?"