Psalm 44:18-27
Het volk Gods, grotelijks beproefd en verdrukt zijnde, wendt zich hier tot Hem; tot wie anders zouden zij ook heengaan?
I. Met een beroep op hun oprechtheid, waarover Hij alleen onfeilbaar kan oordelen en waarvan Hij gewis de beloner zal zijn.
Zij roepen God tot getuige voor twee dingen.
1. Dat zij, hoewel zij al deze hardheid geleden hebben, zich toch dicht bij God hebben gehouden en bij hun plicht, vers 18 Dit alles is ons overkomen, en het is zo hard mogelijk, nochtans hebben wij U niet vergelen, noch de gedachte aan U weggeworpen of Uw aanbidding verlaten, want ofschoon wij niet kunnen ontkennen dat wij zot gehandeld hebben, hebben wij toch niet valselijk gehandeld tegen Uw verbond, om U te verwerpen en ons tot andere goden te begeven. Hoewel onze overwinnaars afgodendienaars waren, hebben wij daarom geen hogere of betere gedachten opgevat van hun afgoden of van hun afgoderij hoewel Gij ons scheen verlaten te hebben, hebben wij toch U niet verlaten." De ellende, waarin zij zeer lang verkeerd hebben was zeer groot: "Wij waren verpletterd in een plaats van de draken, onder mensen, die even woest zijn en even wreed als draken, met een doodsschaduw bedekt, gedompeld in diepe neerslachtigheid, niets minder verwachtende dan de dood, in zwarte duisternis gehuld, levend begraven, en Gij zijt het, die ons aldus verpletterd en bedekt hebt, vers 20. En toch hebben wij geen harde gedachten van U gekoesterd, er niet aan gedacht om ons aan Uw dienst te onttrekken; hoewel Gij ons doodde", bleven wij toch op U vertrouwen, ons hart is niet achterwaarts gekeerd; wij hebben U niet in het verborgene onze genegenheid onttrokken, noch is onze gang, hetzij ten opzichte van Uw aanbidding of van onze dagelijkse wandel, van Uw pad geweken, vers 19, van de weg, waarop Gij ons geboden hebt te wandelen." Als het hart achterwaarts keert, dan zal onze gang spoedig afnemen, want het is het boze hart van ongeloof, dat ons er toe neigt om van God af te wijken. Wij zullen onze beproevingen hoe zwaar die ook zijn, te beter kunnen dragen, indien wij daarin aan onze oprechtheid blijven vasthouden. Zolang onze rampen ons niet wegdrijven van onze plicht jegens God, moeten wij haar niet toelaten om ons weg te drijven van onze vertroosting in God, want Hij zal ons niet verlaten, zo wij Hem niet verlaten.
Ten bewijze van hun oprechtheid nemen zij Gods alwetendheid tot getuige, die evenzeer de troost is van de oprechten als zij de schrik is van de geveinsder, vers 21, 22 "Zo wij de naam van onze God hadden vergeten, onder voorwendsel dat Hij ons vergeten heeft; of in onze benauwdheid onze handen tot een vreemden God hadden uitgebreid, als waarschijnlijker hulp van hem te zullen verkrijgen, zijn God zulks niet onderzoeken? Zal Hij het niet vollediger en nauwkeuriger weten dan wij weten hetgeen wij met de grootste zorg en vlijt onderzocht hebben? Zal Hij het niet oordelen en ons ter verantwoording ervan roepen?" Het vergeten van God was een zonde van het hart, en het uitstrekken van de hand naar een vreemden god was dikwijls een verborgen zonde, Ezechiël 8:12 Maar zonden van het hart en verborgen zonden zijn aan God bekend en moeten voor Hem verantwoord worden, want Hij weet de verborgenheden des harten, en daarom is Hij een onfeilbaar beoordelaar van woorden en daden. 2. Dat zij deze harde dingen leden, omdat zij zich dicht aan God en hun plicht hielden vers 23 "Om Uwentwil worden wij de gehele dag gedood, omdat wij tot U in betrekking staan, naar Uw naam zijn genoemd Uw naam aanroepen, en geen andere goden willen aanbidden." Hiermede verwees de Geest van de profetie naar hen, die ten dode toe geleden hebben voor het getuigenis van Christus, op wie het toegepast wordt, Romeinen 8:36 Zo velen werden gedood, op zo langzame wijze ter dood gebracht, dat zij er de gehele dag mee doorbrachten, en zo algemeen werd dit gedaan, dat, indien iemand een Christen werd hij zich als een schaap ter slachtbank achtte.
II. Met gebed in betrekking tot hun tegenwoordige benauwdheid, dat God op Zijn eigen bestemden tijd verlossing voor hen zal werken. Hun bede is zeer dringend: Ontwaak, waak op, vers 24 Ontwaak, sta op ons ter hulp en verlos ons, vers 27; kom ons spoedig en krachtdadig te hulp, "kom tot onze verlossing," Psalm 80:3 " Wek Uwe macht op en kom tot onze verlossing." Zij klaagden dat God hen had verkocht, vers 13; hier bidden zij dat God hen zal verlossen, vers 27; want van God is er geen beroep dan door ons op Hem te beroepen; indien Hij ons verkoopt, dan kan niemand ons lossen; de hand, die heeft verscheurd, moet genezen, die geslagen heeft, moet verbinden Hosea 6:1 Zij klaagden: Gij hebt ons verstoten, vers 10, maar hier bidden zij: Verstoot ons niet in eeuwigheid, vers 24, laat ons niet voor altijd van God verlaten zijn." Hun drangredenen zijn zeer aandoenlijk: Waarom zoudt Gij slapen vers 24 De bewaarder Israël's sluimert noch slaapt; maar als Hij onmiddellijk verschijnt voor de verlossing van Zijn volk dan zijn zij in verzoeking om te denken dat Hij slaapt. De uitdrukking is zinnebeeldig, zoals in Psalm 78:65, "Toen ontwaakte de Heere als een slapende," maar het was in letterlijke zin toepasselijk op Christus, Mattheus 8:24 Hij sliep toen de discipelen zich in een storm bevonden, en zij wekten Hem op, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! "Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, opdat wij U en het licht van Uw aangezicht niet zien?" Of, "Opdat Gij ons en onze benauwdheid niet ziet." Gij vergeet ons lijden en onze verdrukking, want die houden nog aan, en wij zien geen weg open tot onze verlossing."
En eindelijk. De pleitgronden zijn zeer gepast. Niet op hun eigen verdienste en gerechtigheid pleiten zij, ofschoon zij het getuigenis van hun geweten hadden nopens hun oprechtheid, maar des armen zondaars pleitgronden voeren zij aan.
1. Hun eigen ellende, die hen tot het geschikte voorwerp maakt van de barmhartigheid Gods, vers 26 "Onze ziel is in het stof neergebogen, onder overweldigende smart en vrees, wij zijn als kruipende schepselen, als de verachtelijkste dieren, geworden, onze buik kleeft aan de aarde, wij kunnen ons niet opheffen, onze kwijnende moed niet doen herleven, ons niet opheffen uit onze lage, treurige toestand, en wij zijn er aan blootgesteld om door iedere beledigende vijand te worden vertreden."
2. Gods barmhartigheid; "verlos ons om Uwer goedertierenheid wil, wij steunen op Uwe goedheid, die de heerlijkheid is van Uw naam" Exodus 34:6, en op die gewisse weldadigheden David's, die door het verbond tot al zijn geestelijk zaad komen.