Psalm 44:10-17
Het volk van God klaagt hier bij Hem over de diep gezonken en beproefde toestand, waarin zij zich bevinden onder de overheersende macht van hun vijanden en verdrukkers, die hun zoveel zwaarder en smartelijker viel, omdat zij nu vertreden waren, die in hun worstelingen met hun naburen gewoon waren geweest de overwinning te behalen en de overhand te behouden, en omdat nu diegenen hun verdrukkers waren, over wie zij meermalen hadden getriomfeerd en die zij schatplichtig aan zich hadden gemaakt, en inzonderheid omdat ze geroemd hadden in hun God, met grote verzekerdheid, dat Hij hen nog zou beschermen en voorspoedig maken, hetgeen de benauwdheid, waarin zij waren, en de smaad die over hen was uitgestort, nog zoveel te smartelijker en schandelijker maakte. Laat ons zien wat de klacht is.
I. Dat zij de gewone tekenen van Gods gunst over hen misten, vers 10. "Gij hebt ons verstoten, Gij scheen ons en onze zaak verlaten te hebben, Uw gewone zorg over ons en Uw belangstelling in ons te hebben opgegeven, en zo hebt Gij ons te schande gemaakt want wij roemden op de standvastigheid en het voortduren Uwer gunst. Onze legers gaan uit, zoals gewoonlijk, maar zij worden op de vlucht gedreven, wij winnen geen veld, maar verliezen wat wij gewonnen hadden, want Gij trekt niet met hen uit, want zo Gij dit wel deed, dan zouden zij, waarheen zij zich ook wendden, voorspoedig zijn, maar nu is het juist het tegenovergestelde." Als Gods volk ter neergebogen is, dan zijn zij in verzoeking om te denken dat zij door God verlaten en verstoken zijn, maar zij vergissen zich. "Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre," Romeinen 11:1
II. Dat zij op het slagveld het onderspit moesten delven, vers 11. Gij doet ons achterwaarts keren van de wederpartijder, zoals Jozua geklaagd heeft, toen zij bij Al teruggedreven werden, Jozua 7:8 "Wij zijn ontmoedigd en hebben de oude Israëlitische dapperheid verloren; wij vlieden, wij vallen voor het aangezicht van hen, die voor ons aangezicht plachten te vlieden en te vallen, en dan kunnen zij, die ons haten, ons leger plunderen en naar hartelust roven in ons land. Zij roven voor zichzelf en achten alles het hunne, waar zij hun handen op kunnen leggen. Pogingen om het Babylonische juk af te werpen waren vruchteloos, en wij hebben veeleer nog grond door hen verloren."
III. Dat zij waren overgegeven aan het zwaard en aan gevangenschap, vers 12 Gij geeft ons over als schapen ter spijze. Zij hebben even weinig bezwaar om een Israëliet te doden als om een schaap te slachten; ja, evenals de slachter, maken zij er een beroep van; zij scheppen er behagen in, zoals een hongerig man in zijn spits, en wij worden even gemakkelijk en met even weinig weerstand als een lam ter slachting geleid. Velen zijn gedood en de overigen zijn verstrooid onder de heidenen, voortdurend gekweld en beledigd door hun boosaardigheid, of in gevaar om door hun goddeloosheid te worden besmet." Zij beschouwen zich als verkocht en overgeleverd en verwijten het aan God. Gij verkoopt Uw volk, toen zij het aan hun eigen zonden hadden moeten verwijten, om uw "ongerechtigheden zijt gij verkocht," Jesaja 50:1
1. Maar in zoverre was het recht, dat zij de blik richtten boven de werktuigen van hun leed hun oog op God hielden gericht, wel wetende, dat hun ergste vijanden geen nacht tegen hen hadden, dan die hun van boven gegeven was. Zij erkennen dat het God was, die hen in de handen van de goddelozen heeft overgeleverd, als hetgeen verkocht en overgeleverd wordt aan de koper. Gij verkoopt Uw volk om niet, en verhoogt hun prijs niet, zo zou dit gelezen kunnen worden. "Gij verkoopt hen niet bij opbod aan de meestbiedende, maar in haast aan de eerst biedende, wie wil, kan hen krijgen." Of zoals de Engelse vertaling het heeft: Gij vermeerdert Uw rijkdom niet, te kennen gevende dat zij dit met tevredenheid zouden gedragen hebben indien zij er zeker van hadden kunnen zijn, dat het tot Zijn eer en heerlijkheid zou hebben gestrekt, en dat door hun lijden Zijn belangen gediend en bevorderd zouden zijn; maar het was juist het tegendeel, Israël's ongeluk was tot oneer van God, zodat Hij, wel verre van in Zijn eer gewonnen te hebben door hen te verkopen, er grotelijks bij verloren scheen te hebben. Zie Jesaja 52:5; Ezechiël 36:20
IV. Dat zij met smaad waren overladen, en hun alle mogelijke schande was aangedaan. Ook hierin erkennen zij God: "Gij stelt ons ten smaad; Gij brengt deze rampen over ons, die de smaad veroorzaken, en Gij laat hun boosaardige tong toe ons te honen." Zij klagen:
1. Dat zij uitgelachen en bespot werden, voor het verachtelijkste volk op aarde werden gehouden; hun ellende werd hun tot smaad, zij werden er om bespot.
2. Dat hun naburen, diegenen onder hen van wie zij zich niet terug konden trekken, hen het meest bespotten, vers 14
3. Dat zij onder; de heidenen, het volk, dat vervreemd was van het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, tot een spreekwoord waren, tot een hoofdschudding, daar zij zich verblijdden in hun val, vers 15
4. Dat de smaad gestadig aanhield, vers 16 Mijn schande is de gehele dag voor mij. De kerk in het algemeen en de psalmist in het bijzonder, werden onophoudelijk geplaagd en gekweld door de schimpredenen van hun vijanden. Tot hen, die reeds vallende zijn, roept iedereen: "Weg met hen."
5. Dat het zeer grievend was, en hen in zekere zin overstelpte: De schaamte van mijn aangezicht bedekt mij. Hij bloosde om de zonde, of liever om de oneer, die aan God werd aangedaan en dan was het een heilig blozen.
6. Dat dit op God zelf terugkaatste, de smaad, die de vijand en de wraakgierige op hen wierp, was een bepaald lasteren van God vers 17, 2 Koningen 19:3 Er was dus een sterke reden om te geloven dat God tot hun behoeve zal verschijnen. Gelijk er voor een edelaardig gemoed geen ellende smartelijker is dan smaad en laster, zo is er voor een heilige, Godvruchtige ziel niets smartelijker dan een smaden en lasteren van God.