Psalm 41:1-5
In deze verzen hebben wij:
I. Gods beloften van hulp en vertroosting aan hen, die zich ontfermen over de ellendigen; en wij kunnen veronderstellen dat David er melding van maakt met toepassing, hetzij:
1. Op zijn vrienden, die liefderijk jegens hem waren, nu hij onder beproeving was. Welgelukzalig is hij, die aan de arme David vriendelijke belangstelling toont. Hier en daar ontmoette hij iemand, die medegevoel met hem had, in zorg over hem was, zijn goede mening van en zijn achting voor hem behield in weerwil van zijn beproevingen, terwijl zijn vijanden zo ruw en beledigend jegens hem waren; over deze heeft hij die zaligspreking gesproken, niet twijfelende of God zou hun al de vriendelijkheid vergelden, die zij voor hem gehad hebben, inzonderheid als ook zij in beproeving kwamen. De onvriendelijke harde bejegening van zijn vijanden heeft hem zijn vrienden zoveel dierbaarder gemaakt. Of:
2. Op hemzelf; hij had het getuigenis van zijn geweten, dat hij zich vriendelijk en verstandelijk had gedragen jegens de ellendigen; dat hij, toen hij in macht en aanzien was aan het hof, kennis had genomen van het gebrek en de ellende van de armen en hen had ondersteund, en daarom was Hij er zeker van dat God, overeenkomstig Zijn belofte, hem in zijn ziekte zou vertroosten en versterken. Hier is een verklaring van de belofte: Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Merk op:
A. Wat de barmhartigheid is, die van ons geëist wordt, zij is: acht te geven op de armen en beproefden, hetzij naar de geest, het lichaam, of de bezitting; met hen moeten wij met wijsheid en tederheid handelen, wij moeten medegevoel met hen hebben, ons bekend maken met hun beproeving en met geheel hun toestand, liefderijk over hen oordelen; wij moeten verstandig met hen handelen, zelf onderwezen zijnde door de armoede en de beproeving van anderen, die moeten masker, een onderwijzing voor ons wezen, dat is het woord, hetwelk hier gebruikt wordt.
B. Wat de barmhartigheid is, die ons beloofd wordt, indien wij aldus barmhartigheid betonen. Hij, die zich verstandig gedraagt jegens de ellendigen indien hij hen niet kan helpen, geeft hij toch acht op hen, heeft hij medelijden en zorg over hen en als hij hun hulp verleent, doet hij het met wijsheid en overleg zal door zijn God worden aangezien; hij zal niet slechts er voor beloond worden in de opstanding van de rechtvaardigen, maar op aarde gelukzalig worden gemaakt. Deze tak van de Godsvrucht heeft evenzeer als iedere andere de belofte van het tegenwoordige leven, en wordt gemeenlijk met tijdelijke zegeningen beloond. Vrijgevigheid jegens de armen is het zekerste en veiligste middel tot voorspoed die haar beoefenen, kunnen zeker zijn van tijdige en krachtdadige hulp van God:
a. In alle benauwdheden. Hij zal hen bevrijden ten dage des kwaads, zodat in de slechtste tijden het hun wel zal gaan, en zij zullen niet getroffen worden door de rampen, die aan anderen overkomen, indien iemand ten dage van des Heren toorn verborgen is, dan zullen zij het wezen. Zij, die zich aldus onderscheiden van hen, die hard van hart zijn, zullen door God worden onderscheiden van hen, met wie hard gehandeld zal worden. Zijn zij in gevaar? Hij zal hen bewaren en bij het leven behouden. En zij, die duizendmaal hun leven verbeurd hebben, zoals dit aan de besten het geval is, moeten het als een grote gunst erkennen, zo hun leven hen tot een buit wordt gegeven. Hij zegt niet: "Zij zullen bevorderd, verhoogd worden," maar, "zij zullen bewaard en bij het leven behouden worden, als de pijlen des doods in menigte om hen heen vliegen." Dreigen hen hun vijanden? God zal hen niet overgeven in hunner vijanden begeerte, en de machtigste vijand, die wij hebben, kan geen macht tegen ons hebben, dan die hem van boven gegeven is. De welwillendheid van een God, die ons liefheeft, is voldoende om ons te beschermen tegen de kwaadwilligheid van allen, die ons haten, mensen of duivelen! En aan die welwillendheid kunnen wij ons beloven deel te hebben, als wij acht hebben gegeven op de armen, om hen te helpen en te bevrijden.
b. Inzonderheid in ziekte, vers 4 De Heere zal hem versterken, beide naar lichaam en geest, op het ziekbed, waarop hij lange tijd ziek neerlag, en Hij maakt zijn gehele leger gemakkelijk. Dat is een uitdrukking van grote neerbuigende vriendelijkheid in toespeling op de zorg van hen, die kranken verplegen, inzonderheid van moeders voor haar kinderen als zij ziek zijn, en welke bestaat in hun bed gemakkelijk voor hen te maken; en dat bed moet wel zeer gemakkelijk zijn dat door God zelf wordt opgemaakt. Hij zal zijn gehele leger maken, van het hoofd tot de voeten, zodat het nergens ongemakkelijk is. Hij zal zijn bed wenden, of keren dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord het schudden, ten einde het zacht en gemakkelijk te maken, of, Hij zal het omwenden, het veranderen in een leger van gezondheid. God heeft Zijn volk beloofd dat Hij hen zal versterken, hen gerust zal maken onder hun lichaamspijnen en ziekte. Hij heeft niet beloofd dat zij nooit ziek zullen zijn, noch dat zij niet lang kwijnend zullen wezen, noch dat hun ziekte niet zal zijn tot de dood; maar wel heeft Hij beloofd hen bekwaam te zullen maken om hun beproeving te dragen met geduld en er blijmoedig de uitkomst van af te wachten, door Zijn genade zal de ziel gerust wezen terwijl het lichaam smarten lijdt.
II. David's gebed, bestuurd en aangemoedigd door deze beloften, vers 5. Ik zeide: O Heere, genees mijn ziel. Het is goed voor ons om aantekening te houden van onze gebeden, opdat wij in onze praktijk niet tegenspreken wat wij in onze gebeden hebben gezegd. Hier is:
1. Zijn ootmoedige bede: o Heere, wees mij genadig Hij doet een beroep op genade, wetende dat hij de toets van streng recht niet zou kunnen doorstaan. De beste heiligen, zelfs die welke barmhartig zijn geweest jegens de armen, hebben God niet tot hun schuldenaar gemaakt, maar moeten de toevlucht nemen tot Zijn genade. Als wij onder de roede zijn, moeten wij ons aldus van de barmhartigheid onzes Gods aanbevelen: Heere, genees mijn ziel. Zonde is de ziekte van de ziel, vergevende genade geneest haar, vernieuwende genade geneest haar, en naar deze geestelijke genezing moeten wij vuriger verlangen dan naar gezondheid voor het lichaam.
2. Zijn berouwvolle belijdenis; Ik heb tegen U gezondigd, en daarom heeft mijn ziel genezing van node; ik ben een zondaar, een arme ellendige, zondaar, en daarom: "wees mij genadig," Lukas 18:13. Het blijkt niet dat dit naar een bijzonder grove daad van zonde verwijst, maar wel naar zijn vele zonden van zwakheid in het algemeen, die hem in zijn ziekte ordelijk voor ogen waren gesteld, en naar de vrees voor de gevolgen ervan, die hem deed bidden: Genees mijne ziel.