2. Looft Hem van wege Zijne mogendheden, Zijne krachtige daden; looft Hem naar de menigvuldigheid, naar de ganse volheid Zijner grootheid!
1) Bij het danken beweegt zich de lof van God om bepaalde en bijzondere gaven en weldaden, voor welke men het dankoffer brengt; bij het loven daarentegen verdiept zich de ziel, medegevoerd door de volheid van genadebetoning tot aanbidding, in de heerlijkheid van God zelven. Daar baadt men in den stroom van het heiligdom tot aan de knieën of tot aan de lendenen, maar altijd is de diepte nog te meten; hier daarentegen kan men den grond niet meer bereiken; men zwemt door den stroom en men verdiept zich in de onmetelijke diepten van Zijnen heiligen en heerlijken naam met de hoogste vreugde..
De dichter is geheel vervuld van de heerlijkheid Gods. Zijne ziele smelt weg van verrukking, van wege de heerlijkheid en de genade Gods, die Hij aan Zijn volk heeft geopenbaard, ja, die Hij aan alle plaats heeft getoond. Daarom moet alles, wat een loftoon kan voortbrengen, zich verenigen, om den Naam des Heren groot te maken. En waar hij hemel en aarde oproept, daar eindigt hij met alles, wat adem heeft op te wekken, om den Heere, zijn God, te verheerlijken. De ganse mensheid roept hij, om in heilige geestdrift, den driemaal heiligen God de ere Zijns Naams te geven.
3.
II. Vers 3-5. Terwijl de aansporing om God te loven nu ook zegt met welke middelen die heilige plechtigheid moet geschieden en alle instrumenten, bij de godsdienstoefening in gebruik, in het bijzonder met name noemt, stelt zij ook voor, wie op aarde in de eerste plaats geroepen is tot des Heren lof.