Psalm 142:5-8
De psalmist zegt ons hier tot onze lering:
1. Hoe hij verstoten en verlaten werd door zijn vrienden, vers 5. Toen hij in gunst was aan het hof, scheen hij grote invloed te hebben, maar toen hij vogelvrij was verklaard en het voor iedereen gevaarlijk was om hem te herbergen getuige het lot van Achimelech toen was er niemand, die hem wilde kennen, werd hij door iedereen geschuwd. Hij zag uit ter rechterhand naar een voorspraak, Psalm 109:31, de een of andere vriend, die een goed woord voor hem zou spreken. Maar nadat Jonathans optreden voor hem deze bijna het leven heeft gekost, was niemand meer bereid om zijn onschuld te verdedigen, maar waren allen bereid om te zeggen dat zij van de zaak niets afwisten. Hij zag rond of iemand hem zijn deur wilde openen, maar er was geen ontvlieden voor hem, onder al zijn oude vrienden was er geen, die hem voor een enkele nacht wilde herbergen of hem tot een schuilplaats wilde leiden, waar hij veilig kon zijn. Hoevele Godvruchtigen zijn niet teleurgesteld door zulke zwaluwvrienden, die wegtrekken als de winter komt. Davids leven was zeer kostbaar, maar toch, toen hij onrechtvaardiglijk vogelvrij was verklaard, was er niemand, die zorgde voor zijn ziel, dat is voor zijn leven, die een hand wilde uitsteken om het te beschermen. Hierin was hij een type van Christus die in Zijn lijden voor ons door alle mensen, zelfs door Zijn eigen discipelen, werd verlaten zodat Hij de wijnpers alleen heeft getreden want "er was niemand, die hielp, niemand, die ondersteunde," Jesaja 63:5.
2. Hoe hij voldoening vond in God, vers 6.
Liefhebbers en vrienden stonden van verre, en het was nutteloos om tot hen te roepen, "Maar," zegt hij, Tot U riep ik, o Heere! tot U, die mij kent en voor mij zorgt, als niemand anders het wil, Gij zult mij begeven noch verlaten, al doen de mensen het ook", want God is standvastig in Zijn liefde. David deelt ons mee wat hij in de spelonk tot God heeft gezegd: "Gij zijt mijne toevlucht, mijn deel in het land van de levenden, ik reken er op dat Gij dit voor mij zijn zult, mijn toevlucht om mij er voor te behoeden om rampzalig te zijn, mijn deel om mij gelukkig te maken. De spelonk, waarin ik mij bevind, is slechts een armzalige toevlucht, Heere, Uw naam is de sterke toren, waar ik heenloop, daarin alleen acht ik mij veilig. De kroon, waarop ik hoop, is slechts een armoedig deel, ik kan nooit denken goed voorzien en verzorgd te zijn voordat ik weet dat de Heere mijn deel is, het deel mijner erve en mijns bekers". Zij, die in oprechtheid de Heere tot hun God nemen, zullen Hem beide als een toevlucht en een deel algenoegzaam bevinden, zodat, gelijk geen kwaad hen zal schaden, ook geen goed hun zal ontbreken, en zij kunnen in nederigheid aanspraak maken op hun deel. Heere, Gij zijt mijn toevlucht en mijn deel-al het andere is slechts een toevlucht van de leugenen en een deel zonder waardij. Gij zijt dit in het land van de levenden, zolang ik leef en ben, hetzij in deze wereld of in een betere. Er is genoeg in God om te voorzien in al de behoeften en noden van deze tegenwoordige tijd, wij leven in een wereld van gevaren en gebrek, maar welk gevaar behoeven wij te vrezen, indien God onze toevlucht is, of welk gebrek, als Hij ons deel is De hemel, die alleen verdient het land van de levenden genoemd te worden, zal voor alle gelovigen beide een toevlucht en een deel zijn.
3. Hoe hij in deze voldoening tot God spreekt, vers 7, 8. "Heere, let genadiglijk op mijn geschrei, het geschrei mijner verdrukking, het geschrei mijner smeking, want ik ben zeer uitgeteerd, en indien Gij mij niet helpt zal ik geheel verzinken, red mij van mijn vervolgens, hetzij doordat Gij hun de handen bindt, of doordat Gij hun hart omwendt, verbreek hun macht of verijdel hun plannen, weerhoud hen, of red mij, want zij zijn machtiger dan ik, en het zal Uw eer zijn om het voor de zwakste op te nemen. Red mij van hen, of zij zullen mij in het verderf storten, want zelf ben ik nog niet tegen hen opgewassen. Heere, voer mijn ziel uit de gevangenis, breng mij niet slechts veilig uit deze spelonk, maar voer mij uit al mijn in verwarring brengende omstandigheden." Wij kunnen dit geestelijk toepassen, de zielen van de Godvruchtigen zijn dikwijls in de engte door twijfelingen en vrees, als verstijfd en verlamd door de zwakheid van het geloof en het heersende bederf. Dan is het hun plicht en belang om zich tot God te wenden, en Hem te bidden om hen in vrijheid te stellen, hun hart te verruimen, opdat zij de weg van zijn geboden lopen.
4. Hoezeer hij verwachtte dat zijn verlossing tot eer van God zou zijn.
a. Door zijn eigen dankzeggingen, waarin zijn tegenwoordige klachten verkeerd zullen worden. "Voer mijn ziel uit de gevangenis, niet opdat ik dan van mijzelf en mijn vrienden zal kunnen genieten en gerust en op mijn gemak zal kunnen leven, neen, ook niet opdat ik dan mijn land zal kunnen beveiligen, maar om Uw naam te loven." In al onze gebeden tot God om verlossing uit ellende en benauwdheid moeten wij daar het oog op hebben, dat wij er gelegenheid door hebben om God te loven en tot Zijn lof te leven. Dat is het heerlijkste in tijdelijke zegeningen, dat zij ons van stof voorzien tot lof en ons de gelegenheid bieden om de uitnemende plicht van God te loven te volbrengen.
b. Door de dankzegging van velen voor hem 2 Corinthiers 1:11.. "Als ik verruimd zal zijn, zullen de rechtvaardigen mij omringen, om mijnentwil zullen zij U een kroon des lofs maken, aldus de Chaldeer. Zij zullen tot mij komen om mij geluk te wensen met mijn bevrijding, mijn ervaringen van mij te vernemen, en om maskil onderwijs van mij te ontvangen, zij zullen mij omringen om zich met mij te verenigen in dankzegging, omdat Gij wel bij mij gedaan zult hebben." De zegeningen van anderen moeten ons stof geven om God te loven, en de dankzegging van anderen voor ons moeten wij begeren, en er ons in verblijden.