Job 10:8-13
In deze verzen kunnen wij opmerken:
1. Hoe Job God beschouwt als zijn schepper en bewaarder, zijn afhankelijkheid van Hem beschrijft als de werker en bewaarder van zijn bestaan. Dit is een van de eerste dingen, die wij allen moeten weten en behoren te overdenken.
A. Dat God ons gemaakt heeft, Hij, en niet onze ouders, die slechts de werktuigen waren van Zijn macht en voorzienigheid om ons voort te brengen. Hij heeft ons gemaakt en niet wij. Zijn handen hebben dit ons lichaam geformeerd en ieder deel ervan, vers 8, en het is op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt. Ook de ziel, die het lichaam levend maakt, is Zijn gave. Van die beide neemt hij hier nota.
a. Het lichaam is bereid als leem, in vorm of gestalte gebracht, in deze vorm, die gestalte zoals het leem tot een vat bereid wordt naar de bekwaamheid en de wil van de pottenbakker. Wij zijn aarden vaten, gering van oorsprong, en weldra in stukken gebroken, bereid als leem, zo laat dan het geformeerde niet zeggen tot hem, die het geformeerd heeft: Waarom hebt gij mij aldus gemaakt? Wij moeten niet trots zijn op ons lichaam, want het is uit de aarde genomen, maar mogen ons lichaam toch ook niet onteren, want de Goddelijke wijsheid heeft er vorm en gestalte aan gegeven. De formering van het menselijk lichaam in de moederschoot wordt door een sierlijke gelijkenis beschreven, vers 10. Gij hebt mij gegoten als melk, welke gestremd is tot kaas, en door een inleiding van enige bijzonderheden, vers 11. Hoewel wij naakt in de wereld komen, wordt toch het lichaam zowel bekleed als gewapend, zijn kleren zijn vel en vlees, de beenderen en zenuwen zijn zijn wapenen, geen wapenen van aanval maar van verdediging. De levensdelen, het hart en de longen, zijn aldus bekleed om niet gezien te worden, aldus beschut om niet beschadigd te worden. De bewonderenswaardige bouw van het menselijk lichaam is een doorluchtig voorbeeld van de wijsheid, macht en goedheid van de Schepper. Hoe betreurenswaardig is het, dat deze lichamen tot werktuigen van ongerechtigheid gesteld worden welke instaat zijn om tempelen des Heiligen Geestes te wezen!
b. De ziel is het leven, de ziel is de mens, en zij is Gods gave. Gij hebt mij leven geschonken, vers 12, mij de levensadem ingeblazen, zonder dewelke het lichaam slechts een waardeloos geraamte zou zijn. God is de Vader van de geesten, Hij maakte ons tot levende zielen, en begiftigde ons met verstandelijke vermogens, Hij schonk ons leven en gunst, en leven is een gunst, een grote gunst, meer dan voedsel, meer dan kleren, een onderscheidende gunst, een gunst, die ons instaat stelt andere gunsten te ontvangen. Nu was Job in een betere gemoedsstemming dan toen hij twistte met het leven als een last, en vroeg: Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af? Of: door leven en gunst kan bedoeld zijn leven en al de aangenaamheden des levens, zinspelende op zijn vroegere voorspoed. Er was een tijd, toen hij wandelde in het licht van de Goddelijke gunst en, evenals David, dacht dat door die gunst zijn berg vastgezet was.
B. Dat God ons onderhoudt. De lamp des levens ontstoken hebbende, laat Hij haar niet branden door haar eigen voorraad van olie maar voorziet haar voortdurend van verse olie. "Uw bezoek heeft mijn geest bewaard vers 12, hield mij in het leven, beschermde mij tegen de vijanden van leven, de dood, in welks midden wij zijn, en de gevaren, waaraan wij voortdurend zijn blootgesteld, en mij gezegend met al de noodzakelijke steunselen des levens, en de dagelijksen voorraad, die het behoeft en waarnaar het hunkert."
2. Hoe hij hierop pleit bij God, en welk gebruik hij ervan maakt. Hij herinnert God er aan, vers 9. Gedenk toch, dat Gij mij bereid hebt. En wat volgt hier dan uit? Wel:
A. "Gij hebt mij bereid, en daarom kent Gij mij volkomen, Psalm 139:1 -13, en behoeft mij niet door geselslagen te onderzoeken, noch mij op de pijnbank te leggen ten einde te ontdekken wat binnen in mij is."
B. "Gij hebt mij bereid als leem door een daad van de vrijmacht, en wilt Gij mij nu door een gelijke daad van vrijmacht weer ongedaan maken? Zo ja, dan moet ik mij onderwerpen."
C. "Zult Gij het werk Uwer eigen handen vernietigen?" Hierop hebben de heiligen dikwijls gepleit in hun gebed, wij "zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker," Jesaja 64:8. "Uw handen hebben mij gemaakt en bereid," Psalm 119:73. Zo ook hier, Gij hebt mij gemaakt, en wilt Gij mij nu verslinden? vers 8. Wilt Gij mij tot stof doen wederkeren? vers 9. "Wilt Gij u niet over mij ontfermen? Wilt Gij mij niet sparen en helpen, het werk Uwer eigen handen niet in stand te houden? Psalm 138:8. Gij hebt mij gemaakt, en kent mijn kracht, zult Gij mij dan bovenmate neergedrukt laten worden? Ben ik gemaakt om ongelukkig gemaakt te worden? Werd ik slechts bewaard om onder al deze rampen gebukt te gaan?" Als wij bij onszelf pleiten en dit aanvoeren als een drijfveer om onze plicht te doen: "God heeft mij gemaakt, en Hij onderhoudt mij, daarom zal ik Hem dienen en mij aan Hem onderwerpen," dan mogen wij er bij God op pleiten en het als een argument aanvoeren om genade van Hem te verkrijgen: Gij hebt mij geschapen herschep mij, ik ben de Uwe, behoud mij. Job wist niet hoe hij Gods vroegere gunsten overeen kon brengen met Zijn tegenwoordige ongunst, maar komt tot de slotsom, vers 13. "Deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart, beide zijn overeenkomstig de raad Uws willens, en daarom met elkaar bestaanbaar, hoe onbestaanbaar met elkaar zij ons ook mogen toeschijnen." Als God aldus zijn weg met ons verandert, zijn wij, al kunnen wij er de reden niet van bevroeden, gehouden en verplicht te geloven, dat er goede redenen voor zijn verborgen in Zijn hart, die ons weldra geopenbaard zullen worden. Wij kunnen er de oorzaak niet van aanduiden, maar ik weet, dat dit bij U geweest is. Gode zijn al Zijn werken bekend.