Psalm 136:23-26
Gods eeuwige goedertierenheid wordt hier geloofd:
1. In de verlossing van Zijn kerk, vers 23, 24, in de vele verlossingen, gewerkt voor de Joodse kerk, uit de handen hunner verdrukkers, toen zij in de jaren hunner dienstbaarheid in zeer nedere staat waren, heeft God hun gedacht en hun verlossers verwekt, de richteren en ten laatste David, door wie God hun rust gaf van al hun vijanden. Maar inzonderheid in de grote verlossing van de algemene kerk, waarvan deze verlossingen typen waren, hebben wij grote redenen om te zeggen: Hij heeft aan ons gedacht, aan ons, de kinderen van de mensen, in onze verloren staat, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Hij heeft Zijn Zoon gezonden om ons te verlossen van zonde, dood en hel, en al onze geestelijke vijanden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Hij is gezonden om ons te verlossen, en niet de engelen, die gezondigd hebben, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
2. In de voorziening, die Hij maakt voor alle schepselen, vers 25. Hij geeft spijze aan alle vlees. Het is een blijk van de goedertierenheid Gods en van Zijn goede voorzienigheid, dat Hij, overal waar Hij leven geeft, ook geschikte en genoegzame spijs geeft, en Hij is een goed huishouder, die in de behoeften van zo'n groot gezin voorziet.
3. In al Zijn heerlijkheid en al Zijn gaven, vers 26. Looft de God des hemels, dit duidt Hem aan als een glorierijk God, en geeft ook te kennen dat wij van de heerlijkheid van Zijn goedertierenheid nota moeten nemen in onze lofzeggingen, "de rijkdom van Zijn heerlijkheid is bekend gemaakt over de vaten der barmhartigheid," Romeinen 9:23. Het duidt Hem ook aan als de grote weldoener, want alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader van de lichten, van de God des hemels afkomende, en wij moeten elke stroom nagaan tot aan de bron, deze en die goedertierenheid kan wellicht voor een wijle duren, maar de goedertierenheid, die in God is, is in der eeuwigheid, is een onuitputtelijke bron.