Psalm 135:1-4
1. Hier is: de plicht tot welke wij geroepen worden: de Heere te prijzen, Zijn naam te psalmzingen, Hem te loven, en wederom Hem te loven. Wij moeten Hem niet alleen danken voor hetgeen Hij voor ons gedaan heeft, maar Hem loven voor hetgeen Hij is in zichzelf en gedaan heeft voor anderen, alle gelegenheden te baat nemen om goed te spreken van God, aan Zijn waarheid en Zijn wegen een goed woord te geven.
2. De personen, die geroepen worden om dit te doen: de knechten des Heeren de priesters en Levieten die staan in Zijn huis, en al de vrome Israëlieten, die staan in de voorhoven van Zijn huis, om daar te aanbidden, vers 2. Zij hebben de meeste reden om God te loven, die toegelaten zijn tot de voorrechten van Zijn huis, en zij zien er de meeste reden voor, die daar Zijn schoonheid aanschouwen en van Zijn milddadigheid genieten, van hen wordt het verwacht, want daartoe zijn zij in hun ambt. Wie zal Hem loven, als zij het niet doen?
3. De redenen, waarom wij God moeten loven.
A. Omdat Hij, die wij moeten loven, goed is, en goedheid is hetgeen, waar iedereen goed van zal spreken. Hij is goed voor allen, en daar moeten wij Hem de lof voor geven, Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid, en wij moeten er melding van maken tot Zijn eer.
B. Omdat het werk zichzelf beloont: Psalmzingt Zijn naam, want Hij is lieflijk. Het wordt het beste gedaan met een blij gemoed, en wij zullen het genoegen smaken van onze plicht gedaan te hebben. Het is een hemel op aarde om God te loven, en het genot daarvan moet ons volkomen de smaak benemen voor de genietingen van de zonde.
C. Vanwege de bijzondere voorrechten van Gods volk, vers 4. De Heere heeft zich Jakob verkoren, en daarom is Jakob gehouden en verplicht om Hem te loven, want God heeft zich een volk verkoren, opdat zij Hem tot "een naam en lof zullen zijn," Jeremia 13:11, en daarom heeft Jakob overvloedige reden tot lof, aldus geëerd en onderscheiden zijnde. Israël is boven ieder ander volk Gods bijzonder eigendom, Exodus 19:5, Zijn "segullah," een volk, dat Hij zich toegeëigend heeft, waarin Hij een welbehagen heeft, het is kostelijk in Zijn ogen en verheerlijkt. Indien het zaad Jakobs Hem om deze onderscheidende, verbazingwekkende gunst niet looft, dan is het het onwaardigste, ondankbaarste volk onder de zon.