Psalm 135:15-21
Het doel van deze verzen is:
1. Het volk van God te wapenen tegen afgoderij, door hun te tonen wat soort van goden het waren, die de heidenen aanbaden, zoals wij dit tevoren hadden in Psalm 115:4 en verv.
a. Het waren goden van hun eigen maaksel, dit zijnde, konden zij geen macht hebben dan die hun makers hun gaven, welke macht konden hun makers dan van hen ontvangen? De beelden waren het werk van mensenhanden, en de godheden, die, naar men onderstelde, hen inlichtten, waren even zeer de schepselen van der mensen verbeelding.
b. Zij hadden de gestalte van dieren maar waren niet tot de minste daad of handeling instaat, ja zelfs niet van het dierlijk leven. Zij konden noch zien, noch horen, noch spreken, ja niet eens ademen, hen dus met ogen en oren, met een mond en met neusgaten te maken was zo'n bespotting, dat men er zich over moet verbazen hoe redelijke wezens zich zo konden laten bedriegen, dat zij van zulke voorgewende godheden iets goeds konden verwachten.
c. Hun aanbidders waren dus even stompzinnig als zij beide die hen gemaakt hebben om aangebeden te worden, en die op hen vertrouwden als zij gemaakt waren, waren even zinneloos, vers 18. Die hen maken zijn hun gelijk. Het aanbidden van zulke goden, die het voorwerp waren van de zinnen, en toch geen zinnen, geen zintuigen hadden, maakte de aanbidders zinnelijk en zinneloos. Laat de aanbidding van een God, die een Geest is, ons geestelijk en verstandig maken.
2. Om het volk van God tot ware vroomheid op te wekken in de aanbidding van de ware God, vers 19-21. Hoe ellendiger de toestand is van heidense volken, die afgoden aanbidden, hoe meer wij verplicht zijn om God te danken, dat wij beter weten. Laat ons daarom ons tot daden van Godsvrucht begeven, ons daarmee bezighouden. Looft de Heere, wederom en nogmaals: Looft de Heere. In de parallelplaats Psalm 115:9-11 wordt bij wijze van gevolgtrekking uit de machteloosheid van de afgoden op de plicht gewezen om op de Heere te vertrouwen, hier om Hem te loven, door ons vertrouwen te stellen op God geven wij Hem eer, en aan hen, die op God vertrouwen, zal geen stof ontbreken om Hem te danken en te loven. Alle personen, die God kennen, worden hier opgeroepen om Hem te loven: het huis Israëls, het volk in het algemeen, het huis Aärons en het huis van Levi, de knechten des Heeren, die Hem dienen in het heiligdom. en alle anderen, die de Heere vreesden, al waren zij niet van het huis Israëls. Laat God van allen eer ontvangen: geloofd zij de Heere. De schatting des lofs komt uit Zion, alle Gods werken loven Hem, maar Zijn heiligen zegenen Hem, en zij behoeven niet ver te gaan om hun schatting te betalen, want Hij woont te Jeruzalem, in Zijn kerk, waarvan zij leden zijn, zodat Hij altijd nabij hen is om hun schatting en hulde te ontvangen. Zijn neerbuigende goedheid, waardoor Hij onder de mensen op aarde wil wonen eist onze dankbaarheid en onze herhaalde Hallelujah's.