Psalm 129:5-8
De psalmist had gejuicht in de verijdeling van de vele plannen, die met de list van de hel beraamd waren om de kerk te verwoesten, en nu besluit hij zijn psalm, zoals Debora haar lied geëindigd heeft: Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o Heere, Richteren 5:31.
1. Er zijn velen, die Zion haten, die Zions God haten, Zijn aanbidding en Zijn aanbidders haten, een afkeer hebben van Godsdienst en Godsdienstige mensen, van beide het verderf zoeken, en doen wat zij kunnen om te beletten dat God een kerk heeft in de wereld.
2. Wij behoren te bidden dat al hun aanslagen tegen de kerk zullen mislukken, dat zij er in beschaamd zullen worden, en met schande achterwaarts gedreven zullen worden als degenen, die hun onderneming niet konden volvoeren. Laat hen beschaamd worden staat gelijk met: zij zullen beschaamd worden. De ingeroepen en voorzegde beschaming wordt verduidelijkt door een gelijkenis. Terwijl Gods volk zal bloeien als de beladen palmboom of de vruchtbare olijfboom, zullen hun vijanden verdorren als gras op de daken. Als mensen zijn zij niet te vrezen, want zij zullen als hooi worden, Jesaja 51:12. Maar dewijl zij vijanden van Zion zijn, zijn zij zo gewis getekend voor het verderf, dat men met evenveel minachting op hen kan wederzien als op het gras op de daken, dat weinig is, en kort, en zuur, en nergens toe nut is.
A. Het vergaat snel, het verdort voordat het tot rijpheid is opgegroeid, daar het geen wortel heeft, en hoe hoger de plaats waar het is, dat misschien deszelfs hoogmoed is, hoe meer het blootgesteld is aan de verschroeiende hitte van de zon, en hoe eerder het bijgevolg zal verdorren. Het verdort eer men het uittrekt, zo lezen sommigen het. De vijanden van Gods kerk verdorren vanzelf, en blijven niet totdat zij door Gods oordelen worden uitgeroeid.
B. Het is voor niemand iets nut, en zo zijn ook zij slechts de onnutte lasten van de aarde, en hun plannen tegen Zion zullen nooit in enig hoofd tot rijpheid komen. En wat zij zich ook voorgespiegeld mogen hebben, zij zullen er evenmin iets door verkrijgen als de landman iets verkrijgt van het gras op zijn dak. Hun oogst zal maar een hoop van het gemaaide zijn in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart, Jesaja 17:11.
3. Geen verstandig man zal God bidden om deze maaiers te zegenen, vers 8.
Merk op:
a. Het was een aloud en loffelijk gebruik, om niet alleen vreemdelingen en reizigers te groeten en goeden dag te wensen, maar inzonderheid om voor de arbeiders van de oogst om voorspoed te bidden. Zo heeft Boaz voor zijn maaiers gebeden: "De Heere zij met ulieden". Aldus moeten wij Gods voorzienigheid erkennen, onze welwillendheid betuigen aan onze naasten, hun naarstigheid loven, en het zal door God aangenomen worden als een vrome uitroep als het uit een vroom en oprecht hart komt.
b. Daar Godsdienstige uitdrukkingen heilig zijn, moeten zij nooit gebruikt worden in lichtzinnigheid of als een grapje. Gras maaien op het dak zou een spottende uitdrukking wezen en daarom zullen zij, die eerbied hebben voor de naam Gods er geen gebruik van maken, als een gewone wijze van groeten, want met heilige dingen moet niet gespot worden.
c. Het is gevaarlijk om de vijanden van de kerk onze goede wensen te laten hebben voor hun plannen tegen de kerk. "Indien wij tot hen zeggen: zij gegroet, dan hebben wij gemeenschap aan hun boze werken, 2 Johannes : 11. : Als al gezegd is, dat die voorbijgaan niet zeggen: de zegen des Heeren zij bij u, en dat zij hun generlei achting betonen, dan ligt daar nog meer in opgesloten, namelijk dat alle wijze en goede lieden schande over hen zullen roepen, en God zullen bidden om hun plannen op niets te doen uitlopen. "Ik vervloekte zijn woning," Job 5:3.