Psalm 129:1-4
Er wordt hier gesproken van de kerk Gods in onderscheidene eeuwen, of liever, zij spreekt hier zelf als een enig persoon, die nu oud en grijs is, maar zich de vorige tijden herinnert en over die oude tijden nadenkt. Bij die terugblik wordt bevonden:
1. Dat de kerk dikwijls door haar vijanden op aarde grotelijks benauwd is geworden, Israël kan nu zeggen: "ik ben het volk, dat meer dan enig ander volk verdrukt is geworden, dat als een gesprenkelde vogel was, waar de vogelen van rondom tegen zijn," Jeremia 12:9. Weliswaar, zij hebben door hun zonden die benauwdheden zelf over zich gebracht, het was om hun zonden, dat God hen gestraft heeft, maar het was om het bijzondere van hun verbond en het eigenaardige van hun Godsdienst, dat hun naburen hen haatten en vervolgden. Dieswege hebben zij mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd. Gods volk heeft altijd vele vijanden gehad, en de toestand van de kerk is van haar kindsheid af dikwijls een toestand van beproeving geweest. Israëls jeugd was in Egypte, of in de tijd van de Richteren, toen werden zij benauwd, en meer of minder van toen aan altijd. De Evangeliekerk is van dat zij begon te bestaan, dikwijls benauwd geworden, getuige de vervolgingen, waaronder de eerste kerk gezucht heeft, vers 3. Ploegers hebben op man rug geploegd. Wij lazen in Psalm 125:3 van de scepter, of de roede, van de goddelozen op het lot van de rechtvaardigen, waar wij eerder verwachtten dat de ploeg het voor hen aftekenen zou, hier lezen wij van de ploeg van de goddelozen op de rug van de rechtvaardigen, waar wij eerder de roede verwacht zouden hebben. Maar men kan zeggen dat de metaforen zich hier kruisen, doch de zin, de betekenis van beide is gelijk en maar al te duidelijk, dat de vijanden van Gods volk hen altijd wreed behandeld hebben. Zij scheuren hen, zoals de landman de grond scheurt met zijn ploegschaar, om hen in stukken te scheuren en alles uit hen te halen wat zij kunnen, en aldus de heiligen des Allerhoogsten uit te putten, Daniël 7:25, zoals de grond uitgeput is, die lang bebouwd werd, zodat er gelijk wij zeggen het hart uit is. Als God hun toeliet aldus te ploegen, dan bedoelde Hij het tot welzijn van zijn volk opdat hun braakland aldus omgeploegd zijnde, Hij er het zaad van Zijn genade in kon zaaien en er goede vruchten van kon oogsten, evenwel, de vijanden meenden het zo niet, en hun hart dacht het alzo niet, Jesaja 10:7. Zij hebben hun voren lang getogen, wisten nooit te eindigen, niets anders bedoelende dan het algehele verderf van de kerk. Onder de voren, die zij op de rug van Gods volk getogen hebben, verstaan velen de gesel slagen, die zij hun gaven. De snijders snijden op mijn rug zo lezen zij het. De heiligen hebben dikwijls geselen geproefd, (waarschijnlijk was dit ook het lot van de gevangenen in Babel) en bespottingen, Hebreeën 11:36, want wij lezen van de gesel van de tong, en zo is het vervuld in Christus, die Zijn rug gaf degene, die Hem sloeg, Jesaja 50:6. Of het kan zien op de verwoestingen, die zij in de steden Israëls hebben aangericht, om uwentwil zal Zion als een akker geploegd worden, Micha 3:12.
2. Dat de kerk altijd genadiglijk verlost is geworden door haar vriend in de hemel.
A. De plannen van de vijanden werden verijdeld. Zij hebben de kerk benauwd in de hoop haar te verderven, maar zij hebben hun doel niet bereikt, menige storm heeft zij doorstaan, menige schok heeft zij verduurd, en toch is zij nog in wezen, zij hebben niet tegen mij overmocht. Men kan er zich over verwonderen dat het schip het op zee heeft kunnen houden, als het door zovele stormen heen en weer werd geslingerd en al de golven en baren er over heen zijn gegaan. Christus heeft Zijn kerk op een rots gebouwd, en de poorten van de hel hebben tegen haar niet overmocht, en dat zullen zij ook nimmer. B. De macht van de vijanden was verbroken, God heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen, heeft hun gareel, hun strengen, afgehouwen, en aldus hun ploegen verstoord, heeft hun gesels verbroken, en aldus hun geselen doen ophouden, heeft de banden van de eenheid verbroken, die hen saamverbonden hadden, heeft de banden van de gevangenschap verbroken, waarmee zij Gods volk vasthielden. God heeft velerlei middelen om goddelozen onbekwaam te maken om het kwaad te doen, dat zij voornemens waren te doen aan de kerk, en hun raad te schande te maken.
Deze woorden: De Heere, die rechtvaardig is, kunnen betrekking hebben op de benauwdheden, of op de verlossingen van de kerk.
a. De Heere is rechtvaardig, dat Hij toelaat dat Israël benauwd wordt. Het volk van God is altijd bereid geweest te erkennen dat, hoe onrechtvaardig hun vijanden ook waren, God rechtvaardig was in alles dat hun overkomen is, Nehemia 9:33.
b. De Heere is rechtvaardig in niet toe te laten dat Israël ten verderve wordt gebracht, want Hij heeft beloofd het zich tot een volk te bewaren en Hij zal Zijn belofte getrouw nakomen. Hij is rechtvaardig in af te rekenen met hun vervolgers en hun verdrukking te vergelden, 2 Thessalonicenzen 1:6.