Psalm 126:4-6
Deze verzen zien voorwaarts naar de zegeningen, die nog ontbraken, zij, die uit de gevangenschap waren gekomen, waren nog in moeite en benauwdheid, zelfs in hun eigen land, Nehemia 1:3, en velen waren nog in Babel. Daarom verheugden zij zich met beving, en droegen zij de grieven op het hart, die nog hersteld moesten worden. Wij hebben hier:
1. Een gebed om de voltooiing van hun verlossing, vers 4 :"0 Heere, wend onze gevangenis. Laat hen, die teruggekeerd zijn naar hun eigen land, ontheven worden van de lasten, waaronder zij nog zuchten. Laat het hart van hen, die nog in Babel zijn gebleven, opgewekt worden, zoals het onze er toe opgewekt werd, om gebruik te maken van de vrijheid, die hun toegestaan is." Het begin van een zegen is een aanmoediging voor ons om te bidden om de voltooiing ervan. En zolang wij hier in deze wereld zijn, zullen wij nog altijd reden hebben om te bidden, zelfs dan als ons de meeste reden is gegeven tot lofzegging. En als wij zelf vrij en in voorspoed zijn, dan moeten wij onze broederen niet vergeten, die in moeite en onder bedwang zijn. Het samenbrengen van hen, die nog in gevangenschap waren, met hun broederen, die waren wedergekeerd, zou aan beide zijden even welkom wezen als waterstromen welkom zouden wezen in landen, die ver in het zuiden gelegen zijnde, dor en dorstig waren. Als koud water op een vermoeide ziel zou deze goede tijding uit dit verre land wezen, Spreuken 25, 25.
2. Een belofte, om hen aan te moedigen om er op te wachten, hun verzekerende dat, hoewel zij nu een treurige tijd hadden, alles toch goed zou eindigen. De belofte is in algemene bewoordingen uitgedrukt, opdat al de heiligen zich kunnen vertroosten in dit vertrouwen, dat de zaaitijd in tranen gewis eindigen zal in een oogsttijd van blijdschap, vers 5, 6.
A. Lijdende heiligen hebben een zaaitijd van tranen. Zij zijn dikwijls in tranen, zij delen in de rampen van het menselijk leven, en gewoonlijk is hun deel daaraan groter dan dat van anderen. Maar zij zaaien in tranen, zij volbrengen de plicht, die een staat van beproeving hun oplegt, en zo beantwoorden zij aan het doel van de beschikkingen van de Voorzienigheid over hen. Het wenen moet het zaaien niet in de weg staan. Als wij kwaad lijden, moeten wij goed doen. Ja, gelijk de grond door de regen toebereid wordt voor het zaad, en de landman soms verkiest in vochtige grond te zaaien, zo moeten wij van de tijd van de beproeving gebruik maken, daar hij ons toebereidt tot berouw en bekering, gebed en verootmoediging. Ja er zijn tranen, die zelf het zaad zijn, dat wij moeten zaaien, tranen van droefheid over de zonde, de zonde van onszelf en van anderen, tranen van medelijden met de beproefde kerk, en tranen van vertedering in het gebed en onder het Woord. Dat is kostelijk zaad, zoals dat hetwelk de landman zaait als het koren duur is en hij slechts weinig heeft voor zijn gezin, en het hem dus tranen kost om er van te scheiden, maar het toch onder de grond begraaft in de verwachting van het met winst terug te krijgen. Aldus zaait een Godvruchtige in tranen.
B. Zij zullen een oogst van blijdschap hebben. De benauwdheden van de heiligen zullen niet altoos duren, maar als die hun werk gedaan hebben, dan zullen zij een gelukkig einde nemen. De gevangenen in Babel hebben lang gezaaid met tranen, maar eindelijk werden zij uitgevoerd met gejuich, en toen oogstten zij het voordeel van hun geduldig lijden en brachten zij hun schoven mee naar hun eigen land in hun ervaringen van de goedheid Gods over hen. Job, en Jozef, en David, en vele anderen hadden oogsten van blijdschap na een smartelijke zaaitijd. Zij, die zaaien met tranen van droefheid naar God, zullen maaien met gejuich in de vreugde van een verzegelde vergevingen een gevestigde vrede. Zij, die in dit tranendal zaaien in de geest, zullen het eeuwige leven maaien, en dat, voorwaar, zal een blijvende oogst wezen. Zalig zijn die treuren, want zij zullen tot in eeuwigheid vertroost worden.