Psalm 124:1-5
Het volk van God, hier opgeroepen zijnde om God te loven voor hun verlossing, moet nota nemen:
1. Van de boosaardigheid van de mensen, door welke zij aan de rand des verderfs zijn gebracht. Laat Israël zeggen dat er slechts een schrede was tussen hen en de dood, hoe ongeneeslijker de ziekte schijnt te zijn, hoe meer de bekwaamheid van de geneesheer uitkomt in de genezing.
Merk op:
a. Vanwaar het gevaar dreigde, de mensen stonden legen ons op, schepselen van onze eigen soort, en toch er op uit om ons in het verderf te storten: "Homo homini lupus de mens is een wolf voor de mens." Geen wonder dat de rode draak, de briesende leeuw ons zoekt te verslinden, maar dat mensen dorsten naar het bloed van mensen, Absalom naar het bloed van zijn eigen vader, dat een vrouw dronken zou zijn van het bloed van de heiligen, dat is iets, waar wij met de apostel Johannes ons grotelijks over kunnen verwonderen. Van mensen kunnen wij menselijkheid verwachten, maar er zijn er, wier barmhartigheden wreed zijn. Maar wat was deze mensen? Wel, hun toorn was tegen ons ontstoken, vers 3, er was iets waar zij toornig om waren, en toen kon niets minder hun voldoen of bevredigen dan het verderf dergenen, tegen wie zij dit misnoegen hadden opgevat: grimmigheid en overloping van toorn is wreed. Hun toorn was ontstoken als een vuur, gereed om ons te verteren, zij waren trots, en de goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige. Zij waren stoutmoedig in hun aanval, zij stonden tegen ons op, stonden op in rebellie met het vaste besluit om ons levend te verslinden.
b. Hoe ver het ging, en hoe noodlottig het geweest zou zijn, indien het nog een weinig verder ware gegaan. "Wij zouden verslonden zijn als een lam door een leeuw, niet slechts gedood, meer verslonden, zodat er niets van ons overgebleven zou zijn, verslonden met zoveel haast, eer wij bemerkten, dat wij nedervoeren levend ter helle. Wij zouden overstroomd zijn als laaggelegen landen bij een overstroming, of het zand door een hoge springvloed." Bij deze vergelijking blijft hij verwijlen met de opklimming, die dit lied kenmerkt als een lied van de opgangen, of van de verheffingen. Toen zouden ons de wateren overlopen hebben. Wat van ons? wel, een stroom zou over onze ziel gegaan zijn, over ons leven, ons genot, alles wat ons dierbaar is. Welke wateren? Wel, de stoute, dat is: de trotse wateren. God laat soms aan de vijanden van Zijn volk toe om hen te overmogen, en dat wel zeer sterk, opdat Zijn macht zoveel schitterender zou uitkomen in hun verlossing.
2. Van de goedheid Gods, door welke zij gered werden, toen zij aan de rand des verderfs waren gekomen. "De Heere was bij ons. en indien Hij niet bij ons ware geweest, wij zouden verloren geweest zijn."
a. God was bij ons, Hij nam onze partij, omhelsde onze zaak en trad voor ons op. Hij was onze helper, Hij was krachtiglijk bevonden een hulp, een hulp aan onze zijde, dicht bij ons. Hij was bij ons, niet alleen voor ons, maar onder ons, opperbevelhebber van onze krijgsmacht.
b. Dat God was Jehovah, daarop ligt de nadruk. Indien Hij niet Jehovah zelf ware geweest, een God van oneindige macht en volmaaktheid, die onze verlossing op zich had genomen, onze vijanden zouden ons overweldigd hebben." Welgelukzalig daarom het volk, welks God Jehovah is, een algenoegzame God. Dat Israël dit zegge tot Zijn eer, en besluite Hem nooit te verlaten.