Psalm 111:6-10
Er wordt ons geleerd eer te geven aan God:
1. Voor de grote dingen, die Hij voor Zijn volk gedaan heeft, vanouds en nu onlangs. Hij heeft de kracht van Zijn werken Zijn volke bekend gemaakt, vers 6, in hetgeen Hij voor hen gewrocht heeft, menigmaal heeft Hij hun bewijzen gegeven van Zijn almacht en hun getoond wat Hij doen kan, en dat niets te moeilijk voor Hem is. Twee dingen worden genoemd om de kracht Zijner werken te tonen.
a. Het bezit dat God aan Israël gaf van het land Kanaän, hun gevende de erve van de heidenen. Dit deed Hij in Jozua's tijd, toen de zeven volken tenonder werden gebracht, en in Davids tijd, toen velen van de naburige volken aan Israël werden onderworpen en aan David schatplichtig werden. Hierin toonde God Zijn vrijmacht, dat Hij naar Zijn welgevallen beschikte over koninkrijken, en Zijn macht, door Zijn beschikkingen ten uitvoer te brengen. Indien God de erve van de heidenen tot het erfdeel van Israël wil maken, wie kan dan Zijn recht daartoe betwisten, en wie kan Zijn hand keren?
b. De vele verlossingen die Hij voor Zijn volk gewrocht heeft, toen zij zich door hun ongerechtigheden verkocht hadden in de hand hunner vijanden, vers 9. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden, niet alleen uit Egypte in het eerst, maar dikwijls daarna, en deze verlossingen waren typen van de grote verlossing, die in de volheid des tijds door de Heere Jezus gewerkt zou worden, die verlossing in Jeruzalem, waar zovelen naar uitgezien hebben.
2. Voor de vastheid van Zijn woord en van Zijn werken, die ons de zekerheid geven van de grote dingen, die Hij voor ons doen zal.
a. Wat God gedaan heeft, zal nooit ongedaan worden gemaakt. Hij zelf zal het niet ongedaan maken, vers 7. De werken Diner handen zijn waarheid en oordeel, vers 8. Zij zijn gedaan in waarheid en oprechtheid. Alles, wat Hij doet, is in overeenstemming met de eeuwige regelen en redenen van de billijkheid, het geschiedt alles naar de raad van Zijn wijsheid en het voornemen van Zijn wil, het is alles goed gedaan, en daarom is er niets in te veranderen of te verbeteren, het is alles vast en onveranderlijk. Bij het begin van Zijn werk kunnen wij staat maken op Zijn voleinding ervan, werk, dat waar is, zal duurzaam zijn, zal noch vermolmen noch wegzinken onder het gewicht dat er op gelegd wordt.
b. Wat God gezegd heeft, zal nooit herroepen worden. Al Zijn bevelen zijn getrouw. Zij zijn alle recht, en daarom zijn zij ook alle bestendig. Zijn doeleinden, de regel van Zijn daden, zullen alle vervuld worden. Zou Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? Ongetwijfeld zal Hij het. Hetzij Hij licht gebiedt of duisternis, het geschiedt zoals Hij het bevolen heeft. Zijn geboden, de regel van onze daden en handelingen, zijn ontwijfelbaar recht en goed, en daarom onveranderlijk en niet te herroepen. Zijn beloften en bedreigingen zijn alle gewis, en zullen vervuld worden, en het ongeloof van de mens zal ze niet krachteloos of zonder uitwerking doen zijn. Zij zijn bevestigd, ondersteund voor altoos en in eeuwigheid, en de Schrift kan niet gebroken worden. De alwijze God behoeft nooit veranderingen te brengen in Zijn raadsbesluiten, noch is Hij genoodzaakt nieuwe maatregelen te beramen, hetzij ten opzichte van Zijn wetten of van de handelingen van Zijn voorzienigheid. Alles is gezegd, gelijk als alles gedaan is, in waarheid en oprechtheid, en daarom is het onveranderlijk. Der mensen dwaasheid en leugen maken hen ongestadig in al hun wegen, maar de oneindige wijsheid en waarheid sluiten alle herroepingen alle intrekking buiten. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden. Gods verbond is geboden, want Hij heeft het gemaakt als een, die een onbetwistbaar gezag heeft om voor te schrijven wat wij moeten doen en wat wij moeten verwachten, en een ontwijfelbare macht, beide om te volbrengen wat Hij heeft beloofd in de zegeningen van het verbond en wat Hij heeft bedreigd in de vervloekingen ervan, Psalm 105:8.
3. Voor de instelling van de Godsdienst onder de mensen. Omdat Zijn naam heilig en vreeslijk is, en Zijn vreze het beginsel is van de wijsheid, zal Zijn lof bestaan tot in eeuwigheid, Hij zal tot in eeuwigheid geloofd en geprezen worden:
A. Omdat de ontdekkingen van de Godsdienst Hem zozeer tot eer verstrekken. Beschouw wat Hij van zichzelf in Zijn Woord en in Zijn werken bekend heeft gemaakt en gij zult zien dat God groot is en grotelijks is te vrezen, want Zijn naam is heilig, Zijn oneindige reinheid en rechtheid blinken uit in alles, waardoor Hij zich bekend heeft gemaakt, en omdat Hij heilig is, is Hij vreeslijk, en moet Hij met heilige eerbied en ontzag genoemd worden. Wat heilig is, is eerbiedwaardig, de engelen hebben het oog op Gods heiligheid, als zij hun aangezicht voor Hem bedekken, en niets strekt de mens zo tot eer als zijn heiligmaking. Het is in Zijn heiligdommen, dat God vreeslijk is, Psalm 68:36, Leviticus 10:3.
B. Omdat de voorschriften van de Godsdienst zo bevorderlijk zijn aan der mensen geluk. Wij hebben reden om God te danken dat de zaak zo goed beraamd is, dat onze eerbied voor Hem en onze gehoorzaamheid aan Hem evenzeer ons belang zijn als onze plicht.
a. Onze eerbied voor Hem is dit: De vreze des Heeren is het beginsel van de wijsheid. Het is niet alleen verstandig dat wij God vrezen, omdat Zijn naam vreeslijk en Zijn aard heilig is, maar het is ook voordelig voor ons. Het is wijsheid, het zal ons leiden om te spreken en te handelen zoals het ons betaamt en ons wezenlijk nuttig en voordelig is. Het is het hoofd van de wijsheid, dat is, zoals wij het lezen het begin van de wijsheid, de mensen beginnen nooit wijs te zijn voor zij beginnen God te vrezen, alle ware wijsheid heeft haar oorsprong in ware Godsdienst en heeft er haar grondslag in. Of, zoals sommigen het verstaan, het is de voornaamste wijsheid en de voortreffelijkste, de eerste in waardigheid. Het is de principiële wijsheid en het beginsel van de wijsheid om God te aanbidden, Hem eer te geven als onze Vader en onze meester. Zij handelen goed, die altijd handelen onder de heerschappij van Zijn heilige vreze.
b. Onze gehoorzaamheid aan Hem is dit: Allen, die Zijn geboden doen, hebben goed verstand Waar de vreze des Heeren in het hart heerst, daar zal een gestadige, nauwgezette zorg zijn om Zijn geboden te houden, niet om er van te praten, maar om ze te doen, en de zodanigen hebben goed verstand.
Ten eerste. Zij worden goed verstaan, hun gehoorzaamheid wordt genadiglijk aangenomen als een duidelijke aanwijzing van de gezindheid huns harten, dat zij in waarheid God vrezen. Vergel. Spreuken 3:4. "Vind gunst en goed verstand in de ogen Gods en van de mensen." God en de mensen zullen op hen zien als welmenend en zullen hun hun goedkeuring geven, die nauwgezet hun plicht betrachten, al hebben zij ook hun dwalingen en vergissingen, wat eerlijk bedoeld is, zal goed worden opgenomen.
Ten tweede. Zij verstaan goed.
1. Het is een teken dat zij goed verstaan. De gehoorzaamsten worden aangenomen als de verstandigsten. Diegenen verstaan zichzelf en hun belangen het best, die Gods wet tot hun regel nemen en er in alles door bestuurd worden. Een groot verstand hebben zij, die Gods geboden kennen en er geleerd over kunnen spreken, maar een goed verstand hebben zij, die ze doen en er naar wandelen.
2. Het is het middel om nog beter te verstaan. Een goed verstand zijn zij voor allen, die ze doen, de vreze des Heeren en de wetten daarvan geven een goed verstand en zijn in staat om hen wijs te maken tot zaligheid. "Zo iemand wil deszelfs wil doen, die zal al duidelijker en helderder de leer van Christus kennen", Johannes 7:17. Allen, die ze doen hebben goede voorspoed, aldus de kanttekening, overeenkomstig hetgeen beloofd was aan Jozua, indien hij zou waarnemen om te doen naar hetgeen geschreven is in de wet, Jozua 1:8 " Dan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandiglijk handelen". Wij hebben reden om God te loven, Hem te loven tot in eeuwigheid, omdat Hij de mens zo gezegend een middel heeft gegeven om gelukkig te zijn. Sommigen achten dat de laatste woorden meer van toepassing zijn op de goede, dat is, de Godvruchtige mens, die de Heere vreest, dan op de goede God: Zijn lof bestaat tot in eeuwigheid. Het is misschien "niet van de mensen maar het is uit God", Romeinen 2:29, en de lof, die uit God is, blijft tot in eeuwigheid, als de lof van de mensen verwelkt en vergaan is.