Psalm 107:1-9
I. Hier is een algemene oproep aan alle mensen om Gode dank te zeggen, vers 1. Laat allen, die deze psalm zingen of biddend overdenken, er zich toe zetten om de Heere te danken, en zij, die geen bijzondere reden hebben tot lof en dank, kunnen zich genoegzaam van de stof er toe voorzien uit de algemene goedheid van God. Hij is goed in de bron, in de stromen is Zijn goedheid tot in eeuwigheid en faalt nooit.
II. Een bijzondere eis hiervoor gedaan aan de bevrijden des Heeren, hetgeen wel geestelijk toegepast kan worden op hen, die deel hebben aan de grote Verlosser, en door Hem bevrijd zijn van de zonde en de hel. Van alle mensen hebben zij het meeste reden om te zeggen dat God goed is en dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is, deze zijn de kinderen Gods die verstrooid waren, en om welke uit alle landen tot een te vergaderen, Christus gestorven is, Johannes 11:52, Mattheus 24:31. Maar hier schijnt het bedoeld te zijn van een tijdelijke bevrijding, die voor hen gewrocht werd toen zij in hun benauwdheid tot de Heere riepen, vers 6. Is iemand in lijden? Dat hij bidde. Bidt iemand? God zal gewis horen en helpen. Als de benauwdheden op het hoogste zijn gekomen, dan is dit des mensen tijd om te roepen, zij, die tevoren slechts een gebed fluisterden, zullen dan luide roepen, en dan is het Gods tijd om te hulp te komen.
1. Zij waren in eens vijands land, maar God heeft hun bevrijding gewerkt. Hij heeft hen van de hand des wederpartijders bevrijd, vers 2, niet door kracht of geweld, misschien, Zacheria 4:6, noch voor prijs of geschenk, Jesaja 15:13, maar door de Geest Gods werkende op de geest van mensen.
2. Zij waren verstrooid als verworpelingen, maar God heeft hen vergaderd uit alle landen, waarheen zij in de dag van de wolk en van de donkerheid verstrooid waren. Zie Deuteronomium 30:4, Ezechiël 34:12. God kent degenen, die de Zijnen zijn, en weet waar hen te vinden.
3. Zij waren verlegen, verbijsterd, hadden geen weg om op te gaan, geen verblijfplaats om in uit te rusten, vers 4. Toen zij verlost waren uit de hand des wederpartijders en verzameld waren uit de landen, waren zij in gevaar om op hun terugreis door de dorre, onvruchtbare woestijnen om te komen, daar er geen begane weg in was en geen gezelschap gevonden werd. Het was een eenzame weg, geen herberg, geen gerieflijkheden voor de reiziger, geen bewoonde stad, waar zij nachtverblijf en voedsel konden vinden. Maar God heeft hen op de rechten weg geleid, vers 7, leidde hen naar een herberg, ja leidde hen naar een tehuis, opdat zij zouden gaan naar een stad ter woning, een bewoonde stad, ja die zij zelf zouden bewonen. Dit kan zien op arme reizigers in het algemeen, die inzonderheid, wier weg door de woestijn van Arabië liep, waarin zij, naar wij kunnen onderstellen, dikwijls verdwaald waren, en toch zijn velen in die benauwdheid wonderbaarlijk geholpen en gered, zodat slechts weinigen omkwamen. Wij behoren acht te geven op Gods goede hand over ons op onze reizen, uitgaande en inkomende, ons leidende op onze weg, en plaatsen voor ons voorziende beide om ons in te verversen en in uit te rusten. Of wel het ziet zoals sommigen denken op de omwandelingen van de kinderen Israëls gedurende veertig jaren in de woestijn. Er wordt gezegd, Deuteronomium 32:10, hij voerde hen rondom, en toch heet het hier: Hij leidde hen op een rechten weg. Gods weg kan ons wel een omweg toeschijnen, meer aan het einde zal hij blijken de rechte weg te zijn. Het is van toepassing op onze toestand in deze wereld, wij zijn hier als in een woestijn, hebben hier geen blijvende stad, maar wonen als gasten en vreemdelingen in tenten, maar wij zijn onder de leiding van een wijze en goede voorzienigheid, en als wij ons daaraan overgeven en toevertrouwen, dan zullen wij in de rechte weg geleid worden naar een stad, die fondamenten heeft.
4. Zij waren op het punt van honger om te komen, vers 5. Hun ziel was in hen overstelpt, zij waren uitgeput van vermoeienis, op het punt van te bezwijken uit gebrek aan voedsel. Zij, die gedurig overvloed hebben, elke dag ten volle verzadigd worden, weten niet hoe ellendig het is om honger en dorst te lijden en geen voorraad van spijs en drank te hebben. Dit was soms het geval met Israël in de woestijn, en misschien van andere arme reizigers, maar Gods voorzienigheid vindt middelen om de dorstige ziel te verzadigen en de hongerige ziel met goed te vervullen, vers 9. In Israëls gebrek werd tijdig voorzien, en velen zijn wonderbaarlijk geholpen toen zij op het punt waren van om te komen. Dezelfde God, die ons heeft geleid, heeft ons gevoed, ons leven lang, tot op de huidigen dag. Hij heeft de ziel van voedsel voorzien en de hongerige ziel met goed vervuld. Zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, naar God, de levende God, en naar gemeenschap met Hem, zullen overvloedig verzadigd worden met het goede van Zijn huis, beide in genade en eer.
Voor dit alles nu worden zij, die genade ontvangen hebben, opgeroepen om Gode dank te zeggen, Hem te loven, vers 8. Laat hen (die aldus genadiglijk door God geholpen en gered zijn) voor de Heere Zijn goedertierenheid loven Zijn goedertierenheid jegens hen in het bijzonder, en Zijn wonderwerken voor de andere kinderen der mensen. Gods werken van genade zijn wonderwerken, werken van wonderbare kracht, in aanmerking genomen de zwakheid, en van wonderbare genade, in aanmerking genomen de onwaardigheid van hen, aan wie Hij genade bewijst. Het wordt van hen, die genade van God ontvangen, verwacht dat zij Hem lof en dank zullen vergelden. Wij moeten Gods goedheid erkennen jegens de kinderen der mensen, zowel als jegens de kinderen van God, jegens anderen, zowel als jegens onszelf.