Psalm 102:1-12
Het opschrift van deze psalm vers 1, is zeer opmerkelijk. Het is een gebed des verdrukten, het werd samengesteld door iemand, die zelf verdrukt was, verdrukt met de kerk en voor haar. Op hen, die hart hebben voor de algemene aangelegenheden, het algemene welzijn, drukken beproevingen van die soort meer dan op iemand anders. Het is geschikt voor een staat van beproeving, en is bestemd voor het gebruik van anderen, die in eenzelfde benauwdheid verkeren, want al wat tevoren geschreven is, is opzettelijk geschreven ten onze gebruike. Het gehele Woord van God is nuttig om ons te besturen in het gebed, maar hier, zoals dikwijls elders, heeft de Heilige Geest ons gebed voor ons opgesteld, heeft Hij woorden in onze mond gelegd, Hosea 14:3..
Hier is een gebed, in de handen gegeven van de verdrukten, laat hen niet hun handen, maar hun hart er toe zetten en het God aanbieden. Het is dikwijls het lot van de beste heiligen om verdrukt te zijn in deze wereld. Zelfs Godvruchtige mensen kunnen schier overstelpt zijn door hun beproevingen en op het punt zijn van er onder te bezwijken. Als wij in een toestand zijn van beproeving, en onze geest overstelpt is, dan is het onze plicht en ons belang om te bidden, en door het gebed onze klacht te storten voor het aangezicht des Heeren, hetgeen te kennen geeft dat God ons toestaat vrijmoedig bij Hem te zijn, dat Hij ons zowel vrijheid van spreken als vrijheid van toegang tot Hem geeft. Het geeft ook te kennen welk een verlichting het is voor een bedrukt gemoed om zich door een ootmoedige voorstelling van zijn grieven en zijn leed lucht te geven.
Zulk een voorstelling hebben wij hier, waarin:
I. De psalmist nederig vraagt aan God om kennis te nemen van zijn beproeving, en van zijn gebed in zijn beproeving, vers 2, 3.
Als wij bidden in onze beproeving,
1. Dan moet het ons grote verlangen zijn dat God ons genadiglijk zal horen, want als onze gebeden niet welbehaaglijk zijn aan God, dan zullen zij doelloos zijn voor onszelf. Laat ons dit dus op het oog hebben dat ons gebed tot God moge komen, in Zijn oren moge komen, Psalm 18:7, en laat ons te dien einde ons gebed opheffen en onze ziel er mee opheffen.
2. Dan kan het onze hoop zijn dat God ons genadiglijk zal horen, omdat Hij ons bevolen heeft Hem te zoeken, en beloofd heeft dat wij Hem niet tevergeefs zullen zoeken. Als wij in het geloof een gebed opzenden dan kunnen wij in het geloof zeggen: o Heere, hoor mijn gebed.
a. "Openbaar U aan mij, verberg Uw aangezicht niet voor mij in misnoegen ten dage mijner benauwdheid. Indien Gij mij al niet terstond verlost, zo laat mij dan toch weten dat Gij mij gunstig zijt, indien ik de werkingen Uwer hand voor mij niet zie, zo laat mij dan toch Uw vriendelijk aanschijn zien." Het verbergen van Gods aangezicht is voor een godvruchtige benauwdheid genoeg, zelfs in zijn voorspoed, Psalm 30:8. Toen Gij Uw aangezicht verbergdet, werd ik verschrikt, maar als God Zijn aangezicht verbergt als wij in benauwdheid zijn, dan voorwaar is de toestand zeer treurig. b. "Openbaar U voor mij, ten mijnen behoeve, hoor mij niet slechts, maar verhoor mij, geef mij de verlossing, die ik nodig heb en die ik zoek, verhoor mij haastelijk, namelijk ten dage als ik roep." Als de benauwdheid zwaar wordt, geeft God ons vrijheid om aldus dringend te zijn in ons gebed, maar toch moet het met ootmoed en lijdzaamheid zijn.
II. Hij stort een droeve klacht uit over de ellendige toestand, waarin hij door zijn beproevingen gekomen was.
1. Zijn lichaam was vermagerd en uitgeteerd, hij was een geraamte geworden, er was niets dan vel en been van hem over. Gelijk voorspoed en vreugde voorgesteld worden als het gebeente vet makende, de beenderen doende groenen als het tedere gras, zo worden grote ellende en smart hier voorgesteld door het tegenovergestelde daarvan: mijn gebeente is uitgebrand als een haard, vers 4, mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vers 5, ja mijn hart is geslagen en verdord als gras, vers 5, het raakt de levensdoelen, waarin een merkbaar verval is gekomen. Ik verdor als gras, vers 12, verschroeid zijnde door de brandende hitte mijner beproevingen. Indien wij aldus door lichaamskrankheid naar de diepte zijn gebracht, laat ons dit dan niet vreemd vinden, het lichaam is als gras, zwak en van de aarde, geen wonder dus dat het verdort.
2. Hij was zeer neerslachtig en bezwaard van geest. Hij was zo vervuld van de gedachte aan zijn beproevingen, dat hij vergat zijn brood te eten, vers 5, hij had geen lust in zijn noodzakelijk voedsel en had er ook geen smaak in. Als God Zijn aangezicht verbergt voor een ziel, dan zullen de genietingen van de zinnen geur noch sap meer hebben. Hij was altijd zuchtende en kermende, als iemand die bovenmate gedrukt is vers 6, en dit verteerde hem, ontnam hem alle moed, hij zocht de eenzaamheid, zoals droefgeestige lieden altijd doen, zijn vrienden verlieten hem, waren schuw van hem, en hij gaf al even weinig om hun gezelschap, vers 7, 8. "Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, die een klagend geluid maakt, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen, die gaarne in bouwvallen huist, ik waak en ben geworden als een eenzame mus op het dak. Ik breng mijn uren door peinzende over mijn verdriet en mijzelf beklagende." Die aldus handelen als zij in kommer en droefheid zijn en er zich in toegeven om te klagen en te zuchten, benadelen zichzelf, zij weten niet wat zij doen, noch welk voordeel zij hierdoor geven aan de verzoeker. Als wij in beproeving zijn, dan moeten wij eenzaam zitten om onze wegen te overdenken, Klaagliederen 3:28, maar niet eenzaam zitten om ons toe te geven in overmatige smart.
3. Hij werd belasterd door zijn vijanden, allerlei kwaad werd tegen hem gesproken. Toen zijn vrienden van hem weggingen, hebben zijn vijanden zich tegen hem gesteld, vers 9. Mijne vijanden smaden mij al de dag, waarmee zij bedoelden hem te grieven (want een edelaardig gemoed lijdt onder de smaad) en een blaam op hem te werpen voor de mensen. Als zij hem op geen andere wijze konden bereiken schoten zij deze pijlen op hem af, namelijk bittere woorden, daarin waren zij onvermoeid zij deden het al de dag, het was een gestadig druipen op hem. Zijn vijanden waren woedend, zij razen tegen mij, en zeer hardnekkig en onverzoenlijk, zij zweren tegen mij, zoals de Joden, die zich onder ede hadden verbonden om Paulus te doden. Of: Zij hebben tegen mij gezworen als beschuldigers, om mij het leven te benomen.
4. Hij vastte en weende onder de tekenen van Gods misnoegen, vers 10, 11. Ik eet as als brood, inplaats van mijn brood te eten, ben ik in stof en as gaan nederliggen, en ik vermeng mijn drank met tranen, als ik mij had moeten verkwikken door te drinken, heb ik mij slechts lucht gegeven door te wenen." En waarom? Hij zegt het ons in vers 11, vanwege Uwe verstoordheid. Het was niet zozeer de benauwdheid zelf, die hem benauwde, als wel de toorn Gods, die hij vreesde de oorzaak te zijn van zijn benauwdheid. Dit was de gal en alsem in de beproeving en ellende, want Gij hebt mij verheven en mij weer nedergeworpen, zoals hetgeen wij ter aarde werpen met het doel te vergruizelen: eerst heffen wij het op, ten einde het met te meer kracht neer te werpen. Of, Gij hebt mij voormaals verheven in eer en blijdschap en ongemene voorspoed, maar de herinnering daaraan verzwaart mijn tegenwoordig lijden en maakt het des te meer smartelijk." Wij moeten de hand Gods zien zowel in ons opgeheven als in ons nedergeworpen worden, en zeggen: Geloofd zij de naam des Heeren, die gegeven en genomen heeft."
5. Hij beschouwde zich als een stervende. Mijne dagen zijn vergaan als rook, vers 4, die snel verdwijnt. Of, zij zijn vergaan in rook waarvan niets overblijft, zij zijn als een afgaande schaduw, vers 12, als de avondschaduw die het naderen aankondigt van de nacht. Hoewel dit alles nu van persoonlijke rampen van de psalmist schijnt te spreken en dus een gepast gebed is voor een particulier persoon die in verdrukking en lijden is, wordt het toch ondersteld een beschrijving te zijn van de beproevingen van de kerk Gods, waarmee de psalmist zijn medegevoel te kennen geeft, het openbare leed tot het zijne makende. Het mystieke lichaam van Christus is hier soms als het lichaam van de psalmist, verdord en verschroeid, ja als dorre doodsbeenderen. De kerk wordt somwijlen naar de woestijn gedrongen, schijnt verloren te zijn, geeft zichzelve onder de tekenen van Gods misnoegen, op als verloren.