13. De genade van de Heere Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met u allen. Amen.
De apostel spreekt zijn eigen groet in zijn apostolische zegen tot besluit uit, de meest omvattende, rijkste en heerlijkste, waarmee hij ooit een brief heeft gesloten. Hij biedt hen en wenst hun deze zegen van de drie-enige God van onze zaligheid zelf en zet die uiteen, schoon verdeeld naar de drie personen van de bedeling van het goddelijke heil. Hij begint, waarmee ook de groet aan het begin begint (Hoofdstuk 1:2) en waar hij alleen mee in de andere brieven zegenend sluit (Romeinen 16:24. 1 Corinthiërs 16:23. Filippenzen 4:23 Colossenzen 4:18. 1 Thessalonicenzen. 5:28. 2 Thessalonicenzen 3:18. 1 Timotheus 6:21. 2 Timotheus 4:22. Titus 3:15. Filemon 1:25) met de genade, met die goedheid, die zo heilzaam is voor de zondaar in het geven en vergeven zo weldadig, hem verkwikt en verheugt, waardoor de toegang geopend is en zich steeds weer opnieuw opent. In het begin van de brieven schrijft hij die de Vader en de Zoon, in de slotzegen aan de Zoon alleen toe, in wie hij dan de heilige Trias samenvat. Hieruit wordt het bevreemdende opgelost, dat de voorop plaatsing van Christus in deze trinitarische uitspraak misschien heeft. Als de Middelaar leidt Hij tot alle geestelijke zegen van de Vader en waar een zegen voor de gemeente is, die hij hier toewenst en uitdeelt, wendt hij zich eerst tot de Heer van de gemeente, wiens namen zo dierbare en rijkbetekende borgtochten zijn voor het door Hem gestichte en steeds van Hem uitgaande heil (Jezus) en van de Zegen van de Geest Anders verbindt de apostel in Zijn zegenwensen in het begin van de brieven met de genade de vrede; hier gaat het in de twee volgende leden uiteen, de liefde en de gemeenschap. De liefde is het innigste wezen van God, de neiging, die Hem vervult, om Zich met Zijn schepselen, die Hem weer kunnen liefhebben, te verenigen, Hem de God van de schepping en van de verlossing; de liefde van God is die begeerte in God om Zichzelf mee te delen, daarom gaat Paulus ten slotte nog over tot de goddelijke middelen van deze mededeling van Zichzelf en van deze vereniging met God, namelijk de gemeenschap van de Heilige Geest. De gave en gemeenschap van de Heilige Geest veroorzaakt voor ons het inwonen en de gemeenschap van de Vader en de Zoon (Johannes 14:23) en wenst, omdat het één Geest is, de innige en heilige gemeenschap van Zijn deelgenoten onder elkaar en hun heiligmaking in de liefde door de uitstorting van de liefde van God in hen, omdat de Heilige Geest juist in de Corinthische gemeente zich zo rijkelijk en krachtig betoond had. Zijn zegen echter en Zijn gemeenschap door vleselijke gezindheid van ontucht en strijdlust zeer verhinderd en beperkt werd, sluiten beide brieven des te gepaster met deze in bijzondere zin geestelijke zegenwens.
Naar de uitwerking, die deze zendbrief met zijn ongewone scherpte teweeg bracht, kan men zeer nieuwsgierig zijn. Uit Romeinen 15:25-27 en Handelingen 20:2 besluiten wij, dat hij de gewenste uitwerking had. Paulus kwam werkelijk weer te Corinthiërs en kon daar enige tijd rustig vertoeven, wat onmogelijk zou zijn geweest als deze zendbrief niet werkelijk het pad voor hem had effen gemaakt en hem in zegepraal in zijn geliefde gemeente had teruggevoerd.
Men noemt deze heilbede de apostolische zegen. Een rijkere zegenbede is er niet. Zij omvat: al wat de mens, al wat de zondaar tot zijn volkomen redding, tot zijn waarachtig geluk, tot de bereiking van zijn schone bestemming nodig is; al wat de Christen tot zijn duurzamen vrede, bestendige blijdschap, toenemende volmaking van dag tot dag blijft behoeven; en niets dan hetgeen die God, in wiens naam wij gedoopt zijn, ten allen tijde bereid is ons te schenken en immer weer te schenken. Geen behoefte is algemener en dringender, dan de behoefte aan geluk. Zij is inderdaad de drijfveer van al het woelen en werken van de mensen. Maar er is voor de mens geen geluk dan in de liefde van zijn God. Op deze moet hij gerust zijn, of hij heeft geen rust; door deze moet hij rijk zijn, of hij is niet rijk; deze zelf moet hij genieten en niet een van haar gaven. De miskenning van deze diepe waarheid is de oorzaak van zo veler blijvend ongeluk. Maar ook haar erkentenis zou voor de zondaar geenszins de sleutel van de gelukspoort, maar veeleer die van de poort van de wanhoop zijn, als hem tot de liefde van God geen weg geopend en gebaand was door de genade van Jezus Christus. Want om gelukkig te kunnen zijn, moet hij gered worden van zijn ongeluk: de zonde. Om op de liefde van God te durven hopen, om haar te kunnen genieten, moet hij verlost worden van de schuld, die hem een voorwerp maakt van de goddelijke toorn en met vrees voor God vervullen blijft. Dit doet de genade van Jezus Christus, waarin de liefde van God zich tot de zondaar neerbuigt, om voor Hem geheel liefde, enkel liefde te kunnen zijn, om hem tot haar gerust en volkomen genot geheel op te heffen. Maar om voor zichzelf op de vervulling van de apostolische zegenbede te mogen hopen, zal wel in de eerste plaats oprechte behoefte van het hart aan hetgeen hier wordt toegewenst worden vereist. Deze is inderdaad van de uiterste noodzakelijkheid. Wel wil God Zijn hoogste weldaden aan onwaardigen schenken, maar Hij werpt ze niet weg aan onverschilligen. Die in de hoogmoed van zijn hart geen behoefte voelt aan de genade van onze Heere Jezus Christus, die zijn geluk nog zoekt en meent te vinden buiten de verzekering van de liefde van God, wie aan de vriendschap van de wereld nog altijd meer gelegen ligt dan aan de gemeenschap van de heilige Geest, hij moge bij de openbare godsdienstoefeningen van de Christeen honderd keer en niet zonder devotie, de apostolische zegenbede over zijn hoofd horen weergalmen, hij blijft vreemd aan haar kracht. Maar het ootmoedig hart, dat de prijs van de goddelijke genade kent, omdat het ook weet wat menselijke, wat eigen ellende in heeft, het hart dat onrustig is in het binnenste, omdat het niet rusten kan tenzij het rust in de liefde van God: de ziel die gebogen gaat, niet alleen onder de macht van de zonde en naar reinheid en heiligheid smacht, zal niet tevergeefs begeren hetgeen een mild en liefderijk God altijd wenst uit te storten. Ootmoedig schuldgevoel, oprechte heilbegeerte, vurig verlangen naar inwendige vermurwing, ziedaar wat vatbaar maakt voor de genade van onze Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest. Maar die zich deze bewust is, al is het met een gebrekkigheid, wel niet geschikt om zijn ootmoed nog te vermeerderen en zijn behoeften te verdubbelen, weert het genot van de hoogste Godsgaven niet van zijn ziel door ongeloof of twijfelmoedigheid. Die twijfelt is een bare van de zee gelijk, die door de wind gedreven en op en neer geworpen wordt. Die mens waant niet dat hij iets ontvangen zal van de Heere. Geloof is een tweede vereiste, aan het eerste gelijk. Het gaat dan met het gevoel van behoefte gepaard. Het evenaart het gevoel van behoefte. De God van onze Doop wil door ons vertrouwd wezen. Wantrouwen beledigt Zijn genade, Zijn liefde, het sluit de deur van de genade van Zijn gemeenschap toe. Het geloof zij en blijve ootmoedig, maar de ootmoed zij en blijve gelovig. Dat is het ware geloof dat, van de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest reeds gewis, nog van ogenblik tot ogenblik behoefte voelt aan de genade van onze Heere Jezus Christus. Een derde vereiste is heilige ernst en diep gevoel van verantwoordelijkheid. De stroom van de genade van onze Heere Jezus Christus, de bron van de liefde van God, vloeien altijd en voor allen. Maar zij vloeien niet om het hart slechts te laven, maar om het te reinigen. Als zij dan voor ons vloeien, wij moeten aan de oever staan met een ernstig gelaat en wij moeten ons niet neerbukken om van deze wateren te scheppen, dan met een biddend gemoed. Het moet ons hele voornemen zijn die genadige Heiland, die liefderijke God, door liefde en heiligheid te verheerlijken en zo voor Zijn onwaardeerbare gaven te danken. Het is geen kleine zaak te begeren, te geloven dat de Heilige Geest ons tot Zijn tempels maken wil. Hoe vast moet daarbij het besluit zijn elke afgod buiten te werpen, waaraan ons hart nog kleeft, elke gemeenschap af te snijden, die met Zijn gemeenschap onbestaanbaar is, hoe groot de vrees om die Heilige Geest te bedroeven. Maar waar dan ook zulke ernst de oprechtheid van onze behoefte en onechtheid van ons geloof bezegelt, omdat zal dit geloof niet beschaamd, die behoefte niet onvervuld gelaten worden.
Drievoudig is die wens, naar de rijkdom van het Christelijk Godsbegrip, zoals met name in woord en schrift van Paulus gedurig wordt aangeduid, maar tevens in die orde geuit, dat hij ons als in geregelde opklimming de aanvang, de voortgang en de voltooiing van het waarachtig geestelijk leven voor ogen stelt. Tot Christenen sprekend, die reeds in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest zijn gedoopt, gewaagt hij allereerst van de genade van de Heere Jezus Christus. Zij toch is niet slechts het middelpunt, maar aanvang en grondslag van al wat Christenen hier beneden reeds zijn en tot in eeuwigheid worden zijn. Pas door die genade van de Zoon komt men tot de volle ervaring van de ontferming van de Vader. Daarom wordt de liefde van God niet in de eerste, maar pas in de tweede plaats door Paulus vermeld en wel zonder dat daaraan de naam van Vader wordt toegevoegd. Dit wordt stilzwijgend voorondersteld en in de meest volstrekte zin de naam van God, uitsluitend aan de Vader gegeven, omdat in het God zijn van de Vader, dat van de Zoon en van de Geest zijn grond heeft, niet omgekeerd. Niet vóór maar pas nadat men de genade van de Heere Jezus persoonlijk heeft verstaan en ervaren, kan men ook van de liefde van God in een mate verzekerd zijn, waarin niemand dan de Christen dit is. Hoe blijft men echter temidden van zoveel verzoeking in en rondom ons op de duur in beider bezit? Eerst in de gemeenschap van de Heilige Geest, die de Christen ten nauwste met de Zoon en de Vader verbindt, wordt dit mogelijk en juist deze maakt daarom kroon en sluitsteen van de apostolische zegengroet uit. Paulus bedoelt hier niet de onderlinge gemeenschap van de heiligen, maar het persoonlijk aandeel van elke gelovige aan de genadegaven van de Heilige Geest als Leraar, Trooster en Herschepper van de Zijnen. Pas waar ieder Christen van die gave in overvloedige mate geniet wat onder zijn bereik is gesteld, bereikt in hem en in geheel de gemeente de genade van de Zoon en de liefde van de Vader haar einddoel. Men voelt, het een laat zich van het ander niet scheiden, evenmin als het licht, de warmte en de vruchtbaarheid, die uit een en dezelfde zon tot ons komen. Pas door de Zoon worden wij kinderen van de Vader en tempels van de Heilige Geest. Pas door de Heilige Geest worden wij de genade van de Zoon en de liefde van de Vader deelachtig. Het zijn als drie verschillende kringen, die van hetzelfde middelpunt uitgaan en daartoe gedurig terugkeren, een drievoudig snoer van zegen, dat niet verbroken kan worden. Waar de apostel als met dit woord de zegenende handen opheft over allen, die de naam van de Heere Jezus aanroepen aan alle plaatsen, daar buigen wij in de geest het hoofd en herhalen heilbegerig ons Amen.
Wat kunnen wij meer verlangen voor onszelf of voor onze broeders, dan deze vaak herhaalde apostolische zegen inhoudt: de genade van Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest! Mochten wij daar ten alle tijde als deze woorden op onze lippen zijn, of gesproken worden voor onze oren, duidelijk de bedoeling daarvan voor de geest stellen met ernstige begeerte en groot verlangen en verwachting, dat de zegeningen daarin vervat, mogen zijn op ons en alle onze medegelovigen nu en in alle eeuwigheid. Amen.
De tweede brief aan de Corinthiërs, gezonden van Filippi uit Macedonië door Titus en Lukas (beter "en Tychicus en Trofimus, "2Co 8:19.
SLOTWOORD OP DE BEIDE BRIEVEN AAN DE KORINTHIERS
Evenals de brief aan de Romeinen het dogmatische meesterstuk van de apostel is, zo zijn de brieven aan de Corinthiërs het praktische meesterstuk. Evenals wij in die de reeds ontwikkelde grondtrekken hebben van de Christelijke Paulinische dogmatiek, zo hier de grondslagen, die hun ontwikkeling reeds nader komen, van apologetiek en polemiek; maar wij hebben hier ook grondslagen van ethische, praktische theologie, van onderwijzing in burgerlijke, huiselijke en kerkelijke betrekkingen van de Christenen, diepe kiemen en fragmenten van kerkrecht en liturgiek van de oude kerk, aanwijzingen over apostolische kerktucht, kerk-inrichting en bestuur.
Deze brieven zijn een pathologie en materia medica voor allen, die geroepen zijn om in ruimere of engere kring artsen van de gemeente van de Heere te zijn en hier treedt, zoals nergens elders, het werk van de apostel en het werk van de gemeente in onmiddellijk en voorbeeldig leerrijk conflict, alles individueel en levendig voor en toch met een volheid van leringen en aanwijzingen voor alle tijden en omstandigheden, waarin het oorspronkelijk heidense, Corinthische leven bij Christenen wederkeert.
Het groot belang, dat de brieven van Paulus aan de Corinthische gemeente in zo menig opzicht hebben, ligt daarin, dat zij ons veelmeer, dan met enig ander Nieuw Testamentische geschrift het geval is, verplaatsen in het midden van een Christelijke gemeente, die in haar ontstaan is en de omstandigheden, waaruit het nieuwe door het Christendom opgewekte leven in zijn eigenaardigheid zich moest ontwikkelen, laten zien.
De beide brieven zijn ons daardoor vooral van zoveel gewicht, omdat de eerste ons een blik laat slaan in de inwendige strijd van de nieuw gestichte gemeente, de tweede in het hart van de apostel.
Paulus was in het geloof als marmer, in de liefde als was. (GREGORIUS VAN NYASS a)
Het grote wereldraadsel. Wat moet er in de ziel van Paulus zijn omgegaan, waar hij met de gedachte vervuld: "God eenmaal alles in allen" (1 Corinthiërs 15:28), nogmaals terugzag op de keten van denkbeelden, waarvan de laatste schakel in dat onuitputtelijk woord is vervat. Altijd was het plan van Gods welbehagen, ontworpen vóór de tijden van de eeuwen, om alles tot één te vergaderen in de Zoon van zijn liefde, beide wat in de hemel en wat op de aarde is. De zonde treedt de wereld in, maar vertraagt slechts de ontwikkeling van het wereldplan, zonder die geheel te verstoren. Hij, die daarvan reeds het grote middelpunt uitmaakt, wordt nu verordend tot verlossing van de mensen. Geheel de natuur, door Hem geschapen, is één openbaring van de onzienlijke God; geheel de oude bedeling één voorbereiding voor Zijn komst in het vlees. Zowel de Joodse en Heidense wereld, verloren buiten Christus, worden behouden in Hem en nu tezamen tot één lichaam verenigd. Middelpunt van die vereniging is het kruis, waaraan het offer van een volmaakte gehoorzaamheid bloedt en alle Godsdeugden oneindig heerlijker dan ergens elders te lezen staan. Dat kruis baant de weg tot de troon; van waar de macht van de zonde gestuit wordt, die aan het kruis haar zegepraal vierde. Een nieuw leven stroomt uit van het verheerlijkte Hoofd in een steeds klimmend aantal leden. En eenmaal is dat leven overal doorgedrongen, het Godsrijk op aarde gevestigd, alle vijandschap tegen Gods gezalfde beteugeld, de dood teniet gedaan, de grote scheiding beslist, de verzoening van hemel en aarde voltooid en zelfs onder de aarde een gedwongen hulde aan de Koning van het Godsrijk gebracht. Welke denkbeelden, nooit tevoren in enig menselijk hart gerezen! En al die denkbeelden onafscheidelijk geschakeld aan feiten; en al die feiten het eigen werk van de Heere; en dat werk de heerlijkste openbaring van Zijn hoog geloofde persoon en die persoon en dat werk de onuitsprekelijke gave van de genade van God!