2. a) Genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus
a) Efeze 1:2. 1 Petrus 1:2.
In het opschrift van de vorige brief had Paulus naast zich een, Sosthenes genaamd, die tot de gemeente in geen andere verhouding stond dan welke hij daarmee uitdrukte, dat hij hem "broeder" noemde. Eveneens noemt hij nu Timotheus, maar terwijl hij daar de brief zelf in de eerste persoon enkelvoud begon en voortzette (1 Corinthiërs 1:4), schrijft hij hier (Vers 4), evenals in de brieven aan de Thessalonicenzen (1 Thessalonicenzen 1:2, 2 Thessalonicenzen. 1:3, van het begin af in de eersten persoon meervoud. Hij gaat op die wijze voort, schrijft dus wat hij de lezer heeft te zeggen, ook tevens in naam van Timotheus, die toch, doordat hij mee deel had aan de stichting van de gemeente (Handelingen 18:5) in zo geheel andere verhouding tot hem stond dan die Sosthenes.
De brief is geen rondgaande aan de gemeenten in Achaje, zoals de brief aan de Galaten aan die in Galatië (Galaten 1:2), maar het schijnt dat de heiligen of Christenen, die door geheel Achaje verstrooid woonden, zich beschouwd hebben als behorend tot de Corinthische gemeente en zich aan haar hebben gehouden. Onder Achaje moet de Romeinse provincie van die naam worden verstaan, die ongeveer het gebied van het tegenwoordige koninkrijk Griekenland omvatte.
Wij herinneren ons, hoe Paulus nog vóórdat hij het schrijven van de eerste brief Timotheus naar Corinthiërs had gezonden, veronderstelde, dat hij later dan de brief daar zou aankomen, maar hem ook snel terugwenste, om door hem berichten te ontvangen omtrent de indruk en de invloed van zijn zendbrief (1 Corinthiërs 4:17; 16:10 v.). Nu is ook zonder twijfel Timotheus naar Corinthiërs gekomen en weer snel tot de apostel naar Efeze teruggekeerd, nog voordat deze met Pinksteren van het jaar 57 de stad verliet, hoewel wij geen bepaalde berichten daarover hebben. Toch was reeds ten gevolge van zijn schikking, zoals, van Kreta in gezelschap van Tychicus een andere helper van de apostelen, Titus, naar Corinthiërs gekomen, om daar nog meer te werken dan Timotheus, die Paulus zo snel had moeten terugroepen. Deze, Titus, moest het dan zo schikken, dat hij zijn terugweg over Macedonië nam en de apostel, als deze van Efeze naar dit land zou reizen (1 Corinthiërs 16:5), tot Troas tegemoet kwam. De mededelingen, die Timotheus gegeven heeft, luidden in zoverre gunstig, dat het groter deel van de gemeente de aanwijzing omtrent de bloedschender, die in 1 Corinthiërs 5:13 wordt gevonden, heeft opgevolgd en die maatregel op deze een gunstige invloed had uitgeoefend. Daarentegen had deze ook zeer treurige zaken te melden, zoals men ook de apostel van zwakheid en onbestendigheid beschuldigde, omdat hij zijn oorspronkelijk reisplan, zoals hij dat had meegedeeld, veranderd had. Men verweet hem grootspraak, achtte zich over sommige plaatsen van zijn brief diep gekrenkt en beklaagde zich ook over de onverstaanbaarheid van het Evangelie. Des te meer verlangde Paulus de berichten te ontvangen, die Titus zou overbrengen en zo reisde hij omstreeks Pinksteren van Efeze naar Troas. Hij vond hier echter de verwachte persoon niet; toch liet hij zich niet terughouden, hoe graag men hem daar langer had gehouden, maar zonder toeven zette hij de reis naar Filippi voort en schreef nu bij Lukas het eerste deel van de brief, dat behalve de inleiding in Hoofdstuk 1:1-11 de afdeling Hoofdstuk 1:12 tot 7:1 omvat. Het tweede en derde deel benevens het slot valt daarentegen in de tijd, dat Titus werkelijk bij de apostel was gekomen en betere berichten had overgebracht, hoewel er aan de andere kant nog vele moeilijkheden waren.
II. Vers 3-11. Met het opschrift en de groet verbindt de apostel een verheerlijken van God voor de vertroosting, die hem in al zijn droefenis is gegeven en die hem in staat stelde ook anderen te vertroosten. Evenals nu aan het begin van de vorige brief de naam van Jezus Christus gedurig weer werd vernomen, is hier steeds weer sprake van troost en vertroosting. Daaraan moet de gemeente opmerken, wat een gemoedsstemming en wat een bedoeling op de voorgrond staat van Paulus' ziel, terwijl hij zich nu gereed maakt tot het schrijven van deze tweede brief. Het is de redding uit een doodsgevaar, die hij met Timotheus onlangs heeft ondervonden, die zijn hart sterk beroert. Zo geeft hij opzettelijk zijn dankzegging aan God en zijn hoop voor de toekomst aan het begin van dit schrijven te kennen, om met zich ook de lezer te verheffen tot een standpunt, verheven boven tweespalt en miskenning en om de band van liefde en gemeenschappelijk gebed des te vaster aan te trekken, hoe slapper de overige banden voor een tijd zijn geworden.