Job 16:6-16
Jobs klacht is hier even bitter als zij in al zijn redevoeringen geweest is, en hij weet niet of hij haar moet smoren, of er uiting aan moet geven. Soms is het ene, en dan weer het andere een verlichting voor de beproefden, al naar hun gemoedsgesteldheid is, of al naar de omstandigheden zijn, maar Job vond in geen van beide hulp of verlichting, vers 6..
a. Soms zal lucht te geven aan smart verlichting schenken, "zo ik spreek" zegt Job, mijn smart wordt niet verzacht, ik gevoel door het uitstorten mijner klacht niet verlicht of verruimd ja meer, wat ik spreek wordt zo verkeerd opgevat en uitgelegd, dat mijne smart er nog door wordt verzwaard."
b. Op andere tijden wordt door zwijgen het verdriet gemakkelijker te dragen en spoediger vergeten, maar, zegt Job, houd ik op, ik ben er niet door gebaat, welke verlichting heb ik? wat gaat er weg van mijn leed? Klaagde hij, men berispte hem wegens hartstochtelijkheid, indien al niet wegens weerstrevendheid. Hield hij vast aan zijn oprechtheid, dan werd hem dit als zijn misdaad toegerekend, gaf hij geen antwoord op hun beschuldigingen, men hield zijn stilzwijgen voor een bekentenis van schuld.
Hier is een droevige voorstelling van Jobs grieven. O hoeveel reden hebben wij om God te danken, dat wij zulke klachten niet aanheffen! Hij klaagt:
1. Dat zijn gezin verstrooid was, vers 7. "Gewis, Hij heeft mij nu vermoeid, mij moede gemaakt door spreken, moede van dulden, moede van mijn vrienden, moede van het leven zelf. Mijn reis door de wereld blijkt zo droevig en ongemakkelijk, dat ik haar ten enenmale moede ben." Wat die reis zo vervelend en troosteloos maakte, was dat zijn gezelschap hem ontnomen was, zijn kinderen en dienstboden waren gedood, en de weinigen, die van zijn groot gezin waren overgebleven, waren verstrooid. Het gezelschap van vrome lieden dat in zijn huis placht bijeen te komen om gezamenlijk God te aanbidden, was verstrooid, in stilte en eenzaamheid bracht hij nu zijn sabbaten door. Hij had voorzeker nu ook gezelschap, maar het was van zodanige aard dat hij het wel gaarne zou willen missen, want het bestond uit personen, die zich schenen te verheugen in zijn mistroostigheid. Als liefhebbers en vrienden verre van ons gedaan worden, dan moeten wij daar Gods hand in zien en erkennen, Hij is het, die ons de troost van hun gezelschap ontneemt.
2. Dat zijn lichaam uitgeput was door ziekte en pijn, zodat hij als een geraamte was geworden, er was niets meer dan vel en beenderen van hem over, vers 8. Zijn gelaat was doorploegd met rimpels, niet door ouderdom, maar door ziekte. Gij hebt mij rimpelig gemaakt. Zijn vlees was verteerd door het etteren van zijn zweren, zodat zijn magerheid zich in hem verhief, dat is: zijn beenderen, die niet gezien werden, staken uit, Hoofdst. 33:21. Dezen worden hier getuigen tegen hem genoemd, getuigen van Gods misnoegen tegen hem, getuigen, die zijn vrienden tegen hem inriepen, om te bewijzen dat hij een goddeloze was. Of, "zij zijn getuigen voor mij, dat mijn klagen niet zonder oorzaak is", of, "getuigen bij mij, dat ik een stervende ben en weldra heengegaan zal zijn."
3. Dat zijn vijand een verschrikking voor hem was, hem dreigde en beangstigde, hem met strenge, donkere blikken aanzag, hem alle tekenen gaf van verwoed op hem te zijn, vers 9 zijn toorn verscheurt. Maar wie is deze vijand? Het is of a. Elifaz, die zich zeer verbitterd op hem betoonde en zich misschien in zulke uitdrukkingen van verontwaardiging had uitgelaten als hier vermeld worden, tenminste, wat hij zei verscheurde Jobs goede naam, donderde hem slechts verschrikking toe, zijn ogen waren gescherpt om oorzaak van verwijt en smaad tegen Job te zoeken, en zeer wreed heeft hij, evenals ook de overigen van hen, met Job gehandeld. Of,
b. Satan: hij was zijn vijand, die hem haatte en hem misschien, onder toelating Gods, verschrikte met verschijningen, zoals hij-naar sommigen denken-onze Zaligmaker verschrikt heeft, waardoor Hij in doodsbenauwdheid kwam in de hof en het er aldus op toelegde om hem God te doen vloeken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat dit de vijand is, die hij bedoelt. Of,
c. God zelf. Als wij het verstaan van Hem, dan zijn die uitdrukkingen inderdaad roekeloos. God haat geen van Zijn schepselen, maar Jobs droefgeestigheid heeft hem aldus de verschrikkingen van de Almachtige voorgesteld en niets kan voor een Godvruchtige smartelijker zijn, dan te vrezen dat God hem tot een vijand is geworden. Indien de grimmigheid eens konings is als de boden des doods, wat is dan de grimmigheid van de Koning van de koningen!
4. Dat allen, die hem omringden, beledigend voor hem waren, vers 10. Met open mond vielen zij hem aan om hem te verslinden, het was alsof zij hem levend wilden verslinden, zó schrikkelijk waren hun dreigementen en zo minachtend was hun houding en gedrag tegenover hem. Zij deden hem alle smaadheden aan, die zij konden bedenken, sloegen hem zelfs op het kinnebakken, en hierin hadden velen zich met elkaar verbonden, zij verzamelden zich tegen mij, zelfs de onwaardigen, de verworpenen, Psalm 35:15.
Hierin was Job een type van Christus, zoals velen van de ouden van mening waren, deze zelfde uitdrukkingen zijn gebruikt in de voorzeggingen van Zijn lijden, Psalm 22:14, Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, en Micha 4:14, Zij zullen de Rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan, welke voorzegging letterlijk vervuld is geworden, Mattheus 26:67. Hoe waren Zijn tegenpartijders vermenigvuldigd!
5. Dat God, inplaats van hem uit hun handen te verlossen gelijk hij had gehoopt, hem in hun handen heeft overgeleverd, vers 11. God heeft mij aan de verkeerde overgegeven en heeft mij afgewend in de handen van de goddelozen. Zij hadden geen macht tegen hem kunnen hebben, indien die hun niet van boven gegeven ware daarom ziet hij over hen heen op tot God, die hun hun opdracht gegeven heeft, zoals David toen Simeï hem vloekte. Maar hij vindt het vreemd, ja hij vindt het schier hard dat diegenen macht tegen hem zouden hebben, die zowel vijanden waren van God als van hem. God maakt soms gebruik van slechte mensen als van Zijn zwaard, om elkaar te verderven, Psalm 17:13, en als van Zijn roede voor Zijn eigen kinderen, Jesaja 10.: 5. Ook hierin was Job een type van Christus, die in de handen van de goddelozen was overgeleverd om door de bepaalde raad en voorkennis Gods gekruisigd en gedood te worden, Handelingen 2:23.
6. Dat God hem niet alleen heeft overgeleverd in de handen van de goddelozen, maar hem ook zelf in handen heeft genomen en-vreeslijk is het in Zijn handen te vallen-vers 12. "Ik had rust in het troostrijke genot van de gaven van Gods goedheid, ik tobde niet en was niet onrustig, zoals sommigen dit temidden van hun voorspoed zijn, waardoor zij God er toe brengen om hun die voorspoed te ontnemen, en toch heeft Hij mij verbroken mij op de pijnbank uitgestrekt en mij verpletterd." Door hem te beproeven scheen het,
a. Alsof God in woede tegen hem was ontstoken, hoewel er in God geen woede is, maar hij dacht het, toen Hij hem bij zijn nek heeft gegrepen, (zoals een sterk man, die in drift is, een kind zou grijpen) en hem zo geschud heeft, dat hij verpletterd werd, triomferende in Zijn onweerstaanbare macht om te doen met hem wat Hij wil.
b. Alsof Hij partijdig was: "Hij heeft mij van het overige mensdom onderscheiden door Zijn harde behandeling van mij, mij tot Zijn doelwit gesteld, waarop het Hem behaagde al Zijn pijlen te richten. Die pijlen zijn opzettelijk tegen mij gericht, niet bij geval afgeschoten, alsof ik de grootste zondaar was van alle die van het oosten, of uitgekozen was om tot een afschrikkend voorbeeld gesteld te worden." Toen God hem tot een doelwit had gesteld, hebben Zijn schutters hem terstond omringd. God heeft schutters onder Zijn bevelen, die niet zullen falen het door Hem gestelde doelwit te treffen. Wie ook onze vijanden mogen zijn, wij moeten hen beschouwen als Gods schutters, en zien dat Hij de pijlen richt. Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen.
c. Alsof Hij wreed was en Zijn toorn even onmeedogend was als Zijn macht onweerstaanbaar. Alsof Hij bedacht had hem in de tederste delen te treffen, Hij heeft door scherpe pijnen zijn eieren doorspleten, misschien waren het nierpijnen, veroorzaakt door steen die in de nierstreek ligt. Alsof Hij geen genade of barmhartigheid voor hem had weggelegd, heeft Hij hem niet gespaard, niets van de hevigheid dier pijnen weggenomen. En alsof Hij niets minder bedoelde dan zijn dood, zijn dood onder de hevigste folteringen, heeft Hij zijn gal op de aarde uitgegoten. Zoals de mensen wanneer zij een wild dier hebben gevangen en gedood, het openen en er met walging en afkeer de gal van uitstorten. Hij dacht dat zijn bloed werd uitgestort, niet alleen alsof het niet kostbaar en dierbaar was, maar alsof het walgelijk was.
d. Alsof Hij onredelijk en onverzadelijk was in Zijn strafoefeningen, vers 14. "Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk. Hij vervolgt mij met de ene wond na de andere." Op die wijze hebben zijn rampen hem in het eerst getroffen: terwijl de ene bode van slechte tijdingen nog sprak, kwam een andere, en zo was het nog, iedere dag kwamen er nieuwe zweren op, zodat hij geen hoop had het einde van zijn leed te zien. Zo dacht hij dan dat God tegen hem aan is gelopen als een geweldige, tegen wie hij onmogelijk stand kon houden, die hij het hoofd niet kon bieden zoals de reuzen vanouds al hun arme naburen ternederwierpen en hun te sterk waren. Zelfs aan Godvruchtigen kost het grote moeite om, als zij onder grote en buitengewone rampen lijden, geen harde gedachten van God te koesteren.
7. Dat hij zich, in onderworpenheid aan de beschikkingen van Gods voorzienigheid nopens hem, van alle eer en gerieflijkheid ontdaan had. Sommigen kunnen hun eigen leed verminderen door het te verbergen, hun hoofd opgericht te houden en kloekmoedig te zijn onder hun rampen, maar Job kon dit niet, hij ontving er de indruk van, en als een waar berouwhebbende, die waarlijk ook lijdzaam was, verootmoedigde hij zich onder de krachtige hand Gods, vers 15, 16.
a. Hij had nu al zijn sieraden en zachte kleren afgelegd, ging in zijn kledij noch met zijn gemak noch met fraaiheid te rade, maar heeft een zak over zijn huid genaaid, dat kleed was goed genoeg voor zo'n verontreinigd, ziek lichaam als het zijne. Zijde op zweren-en zulke zweren! -achtte hij ongepast, een zak zal voegzamer zijn. Diegenen zijn wel zeer verzot op fraaie kleren die er zelfs door ziekte of ouderdom niet van gespeend worden, zoals Job ervan gespeend was, vers 8, door rimpelig gemaakt te zijn en door zijn magerheid. Hij heeft niet slechts een zak aangedaan, maar hem over zijn huid genaaid, als iemand die besloten heeft in zijn vernedering te volharden zolang als zijn beproeving duurde.
b. Hij stond op geen enkel punt van eer, maar heeft zich onder vernederende omstandigheden vernederd, hij heeft zijn hoorn in het stof gedaan, wees de eerbiedsbetuigingen af, die aan zijn waardigheid, macht en uitnemendheid gedaan plachten te worden. Als God onze staat verlaagt, dan moet dit ook ons hart, onze geest, naar beneden brengen. Het is beter de hoorn in het stof te leggen, dan hem in tegenspraak met de bedoelingen van Gods voorzienigheid te verheffen, om hem ten laatste gebroken te zien. Elifaz had Job voorgesteld als hooghartig en hoogmoedig, niet verootmoedigd onder zijn beproevingen, "neen", zegt Job, "ik weet beter, het stof is thans de geschiktste plaats voor mij."
c. Hij verbande vrolijkheid als ten enenmale ongelegen en ongepast, en zette zich er toe om met tranen te zaaien, vers 16. "Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen over mijne zonden, om Gods misnoegen op mij, en om de onvriendelijkheid mijner vrienden, dat heeft over mijne oogleden des doods schaduw doen komen. Hij had niet slechts al zijn schoonheid verdorven door wenen, maar zich schier de ogen uit het hoofd geweend. Ook hierin was hij een type van Christus, die een Man van smarten was, vele tranen heeft gestort, en de treurenden zalig heeft gesproken, omdat zij vertroost zullen worden.