Lukas 2:25-40
Zelfs als Hij zich vernedert, wordt aan Christus eer bewezen, ten einde tegen de ergernis er van op te wegen. Opdat wij ons niet zouden stoten aan de geringe omstandigheden Zijner geboorte, hebben engelen Hem eer bewezen, en opdat wij nu niet geërgerd zullen worden, wijl Hij evenals andere kinderen, die in zonde zijn geboren, in den tempel voorgesteld wordt, en dat wel zonder enigerlei plechtigheid, alleen aan Hem eigen, maar stilzwijgend, en in de massa der andere kinderen, doen thans Simeon en Anna Hem ere, door ingeving des Heiligen Geestes daartoe bewogen zijnde.
I. Zeer eervol is het getuigenis voor Hem van Simeon, hetwelk voor het kindeken eerbied aanduidde, en voor de ouders ene bemoediging was, en tot een gelukkige kennismaking van de priesters met den Zaligmaker had kunnen leiden, indien deze wachters niet blind waren geweest. Merk hier nu op:
1. Het bericht, dat ons gegeven wordt omtrent dezen Simeon, of Simon. Hij woonde nu te Jeruzalem, en was voortreffelijk om zijne vroomheid en gemeenschapsoefening met God. Sommige geleerden, die zeer vertrouwd zijn met de Joodse schrijvers, bevinden dat zich te dier tijd te Jeruzalem een zekere Simeon bevond, die een man was van groot aanzien. Hij was de zoon van Hillel, en de eerste, aan wie zij den titel gaven van Rabban, den hoogsten titel, dien zij gaven aan hun leraren, en die nooit aan meer dan zeven hunner toegekend werd. Hij volgde zijn vader Hillel op als voorzitter van het college, door zijn vader opgericht, en van het grote sanhedrin. De Joden zeggen, dat hij begaafd was met een profetischen geest, en dat hij uit zijn ambt ontzet werd, omdat hij getuigde tegen de heersende denkwijze der Joden betreffende het tijdelijk koninkrijk van den Messias. Evenzo maken zij de opmerking, dat er van hem geen gewag wordt gemaakt in hun Mishna, of Boek der overleveringen, hetgeen aanduidt, dat hij geen voorstander was van hun dwaasheden. Tegen deze gissing wordt ingebracht, dat te dier tijd zijn vader, Hillel, nog leefde, en dat hij zelf nog vele jaren daarna heeft geleefd, gelijk blijkt uit de Joodse geschiedenissen. Maar wat dat betreft, er wordt hier niet gezegd, dat hij oud was en zijn woord: Nu laat, Gij, Heere! uwen dienstknecht gaan in vrede, geeft te kennen dat hij bereid en gewillig was om nu te sterven, maar hieruit is niet af te leiden dat hij ook werkelijk spoedig gestorven is. Paulus heeft vele jaren geleefd nadat hij van zijn dood als nabijzijnd gesproken heeft, Handelingen 20:25. Een tweede tegenwerping is, dat de zoon van Simeon Gamaliël was, een Farizeeër en vijand van het Christendom, maar wat dat betreft, het is niets nieuws, dat een getrouw liefhebber van Christus een dweepzieken Farizeeër tot zoon heeft. Wat hier van hem gezegd wordt is:
a. Dat hij rechtvaardig en Godvrezend was, rechtvaardig jegens de mensen en vroom jegens God, die twee hoedanigheden moeten altijd gepaard gaan, de ene zal de andere steunen, maar de ene kan gene vergoeding wezen voor het gebrek van de andere.
b. Dat hij de vertroosting Israël's verwachtte, dat is: de komst van den Messias, in wie alleen het volk van Israël, dat thans ellendig gekweld en verdrukt werd, vertroosting vinden zou. Christus is niet slechts de bewerker van Israël's vertroosting, Hij is er ook de grond en oorzaak van, Hij is de Vertroosting Israël's. Het duurde lang eer Hij kwam, en zij, die geloofden dat Hij komen zou, bleven Zijne komst wachten en begeren, bleven haar hopen m et geduld, bijna had ik gezegd met een zekere mate van ongeduld, totdat Hij kwam. Hij begreep uit boeken, zoals het boek van Daniël, dat de tijd nabij was, en daarom was hij nu meer dan ooit verwachtende. De ongelovige Joden, die nog verwachten hetgeen reeds gekomen is, gebruiken het als een eed, of plechtige betuiging: Zo waar ik hoop de vertroosting Israël's te zien. De vertroosting Israël's moet verwacht worden, en is het waard dat er op gewacht wordt, en zij zal welkom geheten worden door hen, die haar verwachten en er op blijven wachten.
c. De Heilige Geest was op hem, niet slechts als een Geest der heiligheid, maar als een Geest der profetie, hij was vervuld met den Heiligen Geest en bekwaam gemaakt om dingen te spreken, die hoger waren dan hij.
d. Er was hem een genaderijke belofte gegeven, dat hij voor zijn dood den Messias zou zien, vers 26. Hij onderzocht welken tijd de Geest van Christus in de Oud Testamentische profeten aanduidde, en of die tijd nu nabij was, en hij ontving deze Godsspraak (want dat is de betekenis van het woord) dat hij den dood niet zien zou, eer hij den Messias, den Gezalfde des Heeren, zou zien. Zij, en zij alleen, kunnen kloekmoedig den dood zien, hem zonder verschrikking aanzien, die door het geloof Christus hebben gezien.
2. Het juist van pas-komen van Simeon in den tempel, op het ogenblik toen Christus er voorgesteld werd, vers 27. Toen Jozef en Maria het kind inbrachten om, als het ware, in het kerkregister onder de eerstgeborenen te worden ingeschreven, kwam ook Simeon, door den Heiligen Geest geleid, in den tempel. Dezelfde Geest, die hem gesteund had in zijne hoop, heeft hem nu die vervoering van blijdschap doen smaken. Er werd hem in het oor gefluisterd: "Ga thans naar den tempel, en gij zult zien wat gij verlangt hebt te zien." Zij, die Christus willen zien, moeten naar Zijn tempel gaan, want daar zal de Heere, dien gij zoekt, plotseling komen om u te ontmoeten, en daar moet gij bereid zijn Hem te ontmoeten.
3. Zijn grote vreugde op dit gezicht. Hij nam het in zijne armen, vers 28, hij omhelsde het kindeken met de innigste liefde, legde Hem aan zijn hart, dat gans vol was van blijdschap. Hij nam Hem in zijne armen, om Hem den Heere voor te stellen (naar sommiger mening) om te doen wat der ouders of des priesters was, want verscheidenen der oude schrijvers zeggen, dat hij zelf een priester was. Als wij het bericht, dat het Evangelie ons geeft van Christus, ontvangen en aannemen met een levend geloof, en de aanbieding van Christus, die het ons doet, met liefde en onderworpenheid, dan nemen wij Christus in onze armen. Hem was beloofd, dat hij Christus zou zien, maar de vervulling overtrof nog de belofte, hij houdt Hem in zijne armen.
4. De plechtige verklaring, die hij hierbij aflegt: Hij loofde God en zei: Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord, vers 29-33.
a. Hij heeft een lieflijk vooruitzicht voor zich zelven en (hetgeen wel een zeer groot voorrecht is) hij kan zich volkomen verheffen boven de liefde tot het leven en de vrees voor den dood, ja, hij heeft een heilige minachting voor het leven en een begeerte naar den dood: Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, want mijne ogen hebben de zaligheid gezien, waarvan mij het gezicht beloofd was eer ik sterf. Hier is ene erkenning dat God Zijn woord vervuld heeft, geen tittel van Zijn goede beloften heeft gefaald, gelijk Salomo erkent, 1 Koningen 8:56. Nooit werd de hoop beschaamd van iemand, die op God heeft gehoopt. Een dankzegging er voor. Hij loofde God, dat hij die zaligheid zag in zijne armen, die vele profeten en koningen begeerd hebben te zien en niet zagen. Een belijdenis van zijn geloof, dat dit kind in zijne armen de Zaligmaker was, de zaligheid zelf, Uwe zaligheid, de zaligheid door U verordineerd, de zaligheid, die Gij bereid hebt. En terwijl het zolang duurde, eer zij kwam, is zij al dien tijd bereid geworden. Het is een vaarwel aan deze wereld. Nu laat Gij Uwen dienstknecht heengaan, daar mijne ogen gezegend werden door dit gezicht, zo laat hen nu gesloten worden, en niets meer zien van deze wereld." Het oog wordt niet verzadigd met zien, Prediker 1:8, voor het Christus gezien heeft, maar dan is het verzadigd. Welk een armzalig aanzien heeft deze wereld voor iemand, die Christus in zijne armen en de zaligheid in zijn oog heeft! Vaart wel nu, gij al mijn vrienden en betrekkingen, vaart wel, mijne genietingen en mijne bezigheden in deze wereld, ja vaarwel, zelfs gij tempel. Het is een verwelkoming van den dood: Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht heengaan. De dood is een heengaan, het heengaan der ziel uit het lichaam, aan de wereld der zinnen naar de wereld der geesten. Wij moeten niet heengaan voor God ons ontslaat, want wij zijn Zijne dienstknechten en moeten Zijn dienst niet verlaten, voordat onze tijd vervuld is. Aan Mozes was beloofd dat hij Kanaän zou zien, en dan sterven, maar hij bad dat dit woord veranderd mocht worden, Deuteronomium 3:24, 25. Aan Simeon is beloofd, dat hij den dood niet zien zou, voor hij Christus had gezien, en hij is bereid om dit te verklaren boven hetgeen uitgedrukt was, namelijk als ene kennisgeving aan hem, dat hij zou sterven, als hij Christus gezien heeft. Het zij zo, Heere, zegt hij, laat mij nu heengaan. Zie hier, ten eerste. Hoe troostrijk de dood is voor een Godvruchtige, hij gaat heen als Gods dienstknecht van de plaats van arbeid en zwoegen naar de plaats der rust. Hij gaat heen in vrede, vrede met God, vrede met zijn eigen geweten, in vrede met den dood, er mede verzoend, er mede bekend. Hij gaat heen naar Gods woord, evenals Mozes, naar den mond des Heeren, Deuteronomium 34:5, het woord van bevel: ga op en sterf, het woord der belofte: Ik kom weer en zal u tot Mij nemen. Ten tweede. Wat is de grond dezer vertroosting? Want mijne ogen hebben Uwe zaligheid gezien. Dit duidt meer dan een groot welgevallen aan in dit gezicht, zoals van Jakob: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, Genesis 46:30. Het duidt een gelovige verwachting aan van een gelukzaligen toestand na den dood, door de zaligheid, die hij nu had aanschouwd, en die niet slechts de verschrikking wegneemt van den dood, maar hem tot gewin maakt, Filippenzen 1:21. Zij, die Christus welkom heten, kunnen den dood welkom heten.
a. Hij heeft een lieflijk vooruitzicht voor de wereld en voor de kerk. Deze zaligheid zal wezen een zegen voor de wereld. Zij is bereid voor het aangezicht van al de volkeren, niet om in een hoek te worden verscholen, maar om bekend gemaakt te worden als een licht tot verlichting der heidenen, die nu in duisternis zijn gezeten. Zij zullen door Hem de kennis hebben van Hem, en van God, en van een andere wereld. Dit verwijst naar Jesaja 49:6 :Ik heb u gegeven tot een licht der heidenen, want Christus is gekomen om het licht der wereld te zijn, niet een kaars op den Joodsen kandelaar, maar de Zon der gerechtigheid.
b. Een zegen voor de kerk: tot heerlijkheid van uw volk Israël. Het was een eer voor de Joodse natie, dat de Messias uit een hunner stammen is voortgekomen, dat Hij onder hen werd geboren, heeft geleefd en is gestorven. En van hen, die waarlijk Israëlieten geweest zijn, van het geestelijk Israël, was Hij ook inderdaad de heerlijkheid, en zal dit blijven tot in eeuwigheid, Jesaja 60:19. Zij zullen zich in Hem beroemen. In den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad van Israël, Jesaja 45:25. Toen Christus Zijnen apostelen gebood het Evangelie te prediken aan alle volken, heeft Hij zich hiermede tot een licht gemaakt om de heidenen te verlichten, en toen Hij er bijvoegde: beginnende van Jeruzalem, heeft Hij zich tot heerlijkheid gemaakt van Zijn volk Israël. 5. De voorzegging betreffende dit kind, die hij uitsprak met zijn zegen over Jozef en Maria.
Zij verwonderden zich over hetgeen van hem gezegd werd. En omdat zij door hetgeen tot hen gezegd werd getroffen werden, en er hun geloof door werd versterkt, wordt hier nu nog meer tot hen gezegd.
a. Simeon toont hun hoe zij reden hadden om zich te verheugen, want hij zegende hen, vers 34. Hij noemde hen gezegend, die de eer hadden om tot dat kind in betrekking te staan, en het voorrecht hadden om Hem op te voeden. Hij bad voor hen, dat God hen wilde zegenen, en wilde dat ook anderen dit zouden doen. Zij hadden reden om zich te verheugen, want dit kind zal hen niet alleen tot eer en vertroosting zijn, maar Hij zal ook een zegen wezen voor allen. Hij wordt gezet tot een opstanding veler in Israël, dat is: tot bekering van velen tot God, die dood zijn in de zonde, en tot vertroosting van velen in God, die verzonken zijn in smart en vertwijfeling. Zij, tot wier val Hij gezet is, kunnen dezelfden wezen als zij voor wier opstanding Hij gezet is. Hij is gezet eis ptoosin kai anastasin -tot hun val, ten einde hen weer op te richten, om hen te verootmoedigen en klein te maken, en hen af te brengen van alle betrouwen op zich zelven, ten einde verhoogd te worden door hun betrouwen op Christus. Hij doorwondt en Hij heelt, Paulus valt, en wordt wederom opgericht.
b. Hij toont hun ook hoe zij reden hadden om zich te verheugen met beving, overeenkomstig den raad, vanouds gegeven met betrekking tot het koninkrijk van den Messias, Psalm 2:11. Opdat Jozef, en inzonderheid Maria, zich niet zouden verheffen door de uitnemendheid der openbaringen, is hier een doorn in het vlees voor hen, ene bijmenging in hun vreugde, en dat is het wat wij soms nodig hebben. Het is waar: Christus zal een zegen wezen voor Israël, maar er zijn de zodanige in Israël, voor wie Hij tot een val gezet is, wier bederf geprikkeld en opgewekt zal worden, die tegen Hem bevooroordeeld en in woede ontstoken zullen zijn, en zich aan Hem zullen ergeren, en wier zonde en verderf verzwaard zullen worden door de openbaring van Jezus Christus, velen, die voor zich zelven vergif zullen halen uit den balsem van Gilead, en zich tegen den Rotssteen des heils te pletter zullen stoten, en voor wie deze kostelijke hoeksteen een steen des aanstoots zal zijn. Dit verwijst naar de profetie, Jesaja 8:14, 14. Hij zal voor sommigen een heiligdom zijn en voor anderen een strik, 1 Petrus 2:7, 8. Gelijk het lieflijk is te denken hoe velen er zijn, voor wie Christus' Evangelie een reuk des levens ten leven is, zo is het ook droevig te denken aan de velen, voor wie het een reuk des doods ten dode is. Hij is gezet tot een teken. om door sommigen te worden bewonderd, en door velen te worden wedersproken. Veler ogen waren op Hem gericht, gedurende den tijd van Zijn openbare bediening was Hij een teken, maar veler tong is tegen Hem geweest, de zondaren hebben Hem tegengesproken en gesmaad, voortdurend werd Hij bedild en gescholden, en de uitwerking hiervan zal wezen, dat de gedachten uit veler harten geopenbaard worden, vers 35, dat is, bij die gelegenheid zullen de mensen zich tonen in hetgeen zij zijn, zij zullen zich blootgeven, en zich alzo onderscheiden. De verborgen goede neigingen en gezindheden in het hart van sommigen zullen geopenbaard worden door hun aannemen van Christus en door zich met Hem te verenigen, de verborgen boze neigingen en het bederf van anderen, die anders niet zo slecht hadden geschenen, zullen geopenbaard worden door hun vijandschap jegens Christus en hun woede tegen Hem. De mensen zullen geoordeeld worden naar de gedachten van hun hart, hun gedachten omtrent Christus. Zijn zij voor Hem of zijn zij voor Zijne tegenstanders? Het woord Gods is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten, wij worden er door ontdekt aan ons zelven, en zullen er hiernamaals door geoordeeld worden. Het is waar, Christus zal Zijne moeder ten troost wezen, maar verhef u daar niet op, want een zwaard zal door uw eigen ziel gaan. Hij zal een lijdende Jezus wezen, en, Ten eerste:" Gij zult met Hem lijden, door medegevoelen, meer dan iemand anders van Zijne vrienden, vanwege het innige en nauwe uwer betrekking tot Hem, en de sterke liefde, die gij Hem toedraagt. Toen Hij gescholden en mishandeld werd, was dit een doodsteek in hare beenderen. Toen zij bij Zijn kruis stond en Hem zag sterven, kunnen wij ons haar innerlijke smart wel zo groot voorstellen, dat er in waarheid gezegd kon worden: een zwaard ging haar door de ziel, doorboorde haar het hart. Ten tweede. Gij zult om Hem lijden. Velen vatten dit op als ene voorzegging van haar martelaarschap, en sommigen der ouden zeggen, dat zij daar ook in vervuld werd. Het is goed voor ons om temidden van onze rijkste genietingen en voorspoed in deze wereld te weten, dat ons banden en verdrukkingen aanstaande zijn.
II. Hij wordt opgemerkt door een zekere Anna, ene profetes, opdat een uit elke sekse getuige voor Hem, in wie beiden mannen en vrouwen uitgenodigd worden te geloven, ten einde zalig te worden. Merk op:
1. Het bericht, dat hier omtrent deze Anna wordt gegeven. Zij was:
a. Ene profetes, de Geest der profetie, die in Israël nu al meer dan driehonderd jaren lang had opgehouden, begon nu weer opgewekt te worden. Wellicht wordt er niets meer bedoeld dan dat zij iemand was, meer dan andere vrouwen ervaren in de Schrift, en die het zich ten taak stelde om de jongere vrouwen in de dingen Gods te onderwijzen. Hoewel het voor de kerk een zeer ontaarde tijd was, heeft God zich nochtans niet onbetuigd gelaten.
b. Zij was ene dochter van Fanuel. De naam haars vaders, zegt Hugo de Groot, wordt vermeld om ons Jakobs Fanuel, of Pniël, voor den geest te brengen, Genesis 32:30, omdat de verborgenheid er van thans ontdekt zou worden, wanneer wij in Christus God als het ware van aangezicht tot aangezicht zien zullen, en ons leven behouden blijft. Haar eigen naam betekent genadig.
c. Zij was uit den stam van Aser, dus uit Galilea, en naar sommiger mening wordt hierop gewezen ter weerlegging van hen, die zeiden: Uit Galilea is geen profeet opgestaan, terwijl niet zodra de profetie herleefd was, of zij verscheen uit Galilea.
d. Zij was tot groten ouderdom gekomen, ene weduwe van omtrent vier en tachtig jaren. Sommigen denken, dat zij nu vier en tachtig jaren weduwe was, en dat moet zij ver boven de honderd jaren zijn geweest. Anderen denken, veeleer dan te onderstellen dat iemand die al zo oud was nog zo tot vasten en bidden instaat zou zijn, dat zij slechts vier en tachtig jaren was, en sedert langen tijd weduwe. Hoewel zij reeds jong weduwe was geworden, en met haar man slechts zeven jaren geleefd had, is zij toch nooit hertrouwd, maar is zij tot aan haar dood weduwe gebleven, hetgeen vermeld wordt tot haar lof.
e. Zij leefde in den tempel, of heeft hem tenminste voortdurend bezocht. Sommigen denken dat zij ene woning had in de voorhoven van den tempel, hetzij aldaar onderhouden uit een liefdadigheidsfonds van den tempel, of als profetes, zodat zij daar een geschikt verblijf had om geraadpleegd te worden door hen, die den wille Gods wensten te kennen. Anderen denken dat haar niet wijken uit den tempel niets anders betekende, dan dat zij er steeds alle diensten bijwoonde. Als er enig goed werk gedaan moest worden, was zij gereed en bereid om er aan mede te doen. Zeer waarschijnlijk had zij een eigen woning in de buitengebouwen van den tempel. Behalve haar voortdurend bijwonen van den openbaren eredienst was zij ook zeer overvloedig in stille oefeningen der Godsvrucht, want met vasten en bidden diende zij God nacht en dag. Geen wereldlijke bezigheid hebbende, of er wellicht niet meer toe instaat zijnde, gaf zij zich gans en al over aan een leven van gebed, en vastte niet slechts tweemaal per week, maar leidde een leven van zelfverloochening en doding van het vlees, en bracht in oefeningen der Godsvrucht den tijd door, dien anderen doorbrengen met eten en drinken en slapen. Zij bad niet slechts op bepaalde uren, zij bad dag en nacht, was altijd in biddende gemoedsstemming, gaf zich over aan het gebed, was overvloedig in plechtige gebeden en zeer bijzonder in voorbede voor anderen. En hierin diende zij God, dat was er de waardij, de voortreffelijkheid van. De Farizeeën vastten dikwijls en deden lange gebeden, maar zij dienden zich zelven en hun eigen begeerlijkheid en hoogmoed, maar deze Godvruchtige vrouw deed niet slechts wat goed was, maar deed het uit een goed beginsel en met een goed doel, zij diende God in haar vasten en bidden en had Zijne eer op het oog. Van onze oefeningen der Godsvrucht moeten wij nooit aflaten, andere plichten hebben hun bestemden tijd, maar bidden moeten wij altijd. Het is lieflijk bejaarde Christenen overvloedig te zien in daden der Godsvrucht, als degenen, die goed doende, niet vertragen, en zich niet boven deze oefeningen verheven achten, of denken dat zij er te oud voor zijn, maar er al meer en meer behagen in vinden, en er al meer en meer de behoefte aan gevoelen totdat zij in den hemel komen. Aan hen, die naarstig en getrouw zijn in het gebruik maken van het licht en van de middelen, die zij hebben, zullen nog meer ontdekkingen gedaan worden. Anna wordt thans overvloedig beloond voor haar veeljarig bijwonen van den tempeldienst.
2. Haar getuigenis van den Heere Jezus, vers 38. Te dierzelver ure daarbij komende, toen het kind werd voorgesteld, en Simeon over Hem sprak, kon zij, die zo voortdurend in den tempel was, die gelegenheid niet missen.
a. Zij heeft insgelijks den Heere beleden, evenals Simeon, en wellicht evenals hij ook gewenst om nu heen te gaan in vrede. Zij heeft insgelijks den Heere gedankt , Zij, aan wie Christus bekend gemaakt wordt, hebben reden genoeg om den Heere te danken voor zo groot een gunstbewijs, en wij moeten tot dien plicht opgewekt en aan gevuurd worden door den lof en de dankzegging van anderen. Waarom zouden wij niet even goed dank aan God toebrengen als zij? Anna stemde in met Simeon, en droeg bij tot de harmonie. Zij heeft den Heere beleden, zij heeft openlijk belijdenis afgelegd van haar geloof betreffende dit kind.
b. Zij heeft, als profetes, anderen omtrent Hem onderwezen. Zij sprak van Hem tot allen, die geloofden dat de Messias komen zou, en die met Hem de verlossing in Jeruzalem verwachtten. Verlossing was de zaak, die nodig was, die verwacht en gewenst werd, verlossing in Jeruzalem. want vandaar moet des Heeren woord uitgaan, Jesaja 2:3. Er waren sommigen te Jeruzalem, die de verlossing verwachtten, doch het waren slechts weinigen, want het schijnt dat Anna bekend was met allen, die met haar den Messias verwachtten. Zij wist waar hen te vinden, of zij wisten haar te vinden, en zij deelde hun de goede tijding mede dat zij den Heere gezien had, en het was een gewichtige tijding, die van Zijne geboorte thans, zoals lat er van Zijne opstanding. Zij, die zelf met Christus bekend zijn, moeten alles doen wat zij kunnen om anderen met Hem bekend te maken.
Eindelijk, een kort bericht omtrent de kindsheid en jeugd van onzen Heere Jezus. 1. Waar Hij haar doorbracht, vers 39. Toen de plechtigheid van het voorstelling van het kind en de reiniging der moeder volbracht was, keerden zij terug naar Galilea. Lukas verhaalt niets meer omtrent hen totdat zij in Galilea terug waren, maar uit Mattheus 2 blijkt, dat zij van Jeruzalem naar Bethlehem waren wedergekeerd, waar de wijzen uit het Oosten hen vonden, en waar zij bleven totdat zij de aanwijzing ontvingen om naar Egypte te vluchten, ten einde aan de boosaardigheid en woede van Herodes te ontkomen, en vandaar terugkeerden toen zij, nadat Herodes was gestorven, de aanwijzing ontvingen om naar hun vorige woning te Nazareth te gaan, vanwaar zij wellicht nu enige jaren afwezig waren geweest. Dit wordt hier genoemd hun stad, omdat zij er lang hadden gewoond, en er hun familiebetrekkingen hadden. En Hij moest ook daarom van Jeruzalem weggaan, wijl Zijn koninkrijk en priesterschap gene verwantschap of gelijkenis moest hebben met de tegenwoordige regering van de Joodse kerk en staat. Hij wordt heengezonden naar een afgelegen, geminachte plaats, want hierin, evenals in andere dingen, moest Hij zich vernederen, zich zelven vernietigen.
2. Hoe Hij haar doorbracht, vers 40. Het betaamde Hem in alles den broederen gelijk te worden, en daarom heeft Hij Zijne kindsheid en jeugd doorgebracht zoals andere kinderen, doch zonder zonde, ja met kennelijke aanduidingen van de Goddelijke natuur, die in Hem woonde. Gelijk andere kinderen wies Hij op in lichaamsgrootte, en in toeneming van verstand in Zijn menselijke ziel, opdat Zijn natuurlijk lichaam een beeld of type zou zijn van zijn geestelijk lichaam, hetwelk, schoon, bezield door een volmaakten geest, toch toeneemt tot de mate van een volkomen man, Efeze 4:13, 16. Maar terwijl andere kinderen zwak zijn in verstand en vastberadenheid, was Hij gesterkt in den geest. Door den Geest Gods was Zijn menselijke ziel begiftigd met buitengewone kracht, en al Zijne vermogens verrichtten hun werk en dienst op buitengewone wijze. Hij had een sterk redeneervermogen en een doordringend oordeel. Terwijl dwaasheid in het hart is gebonden van andere kinderen, hetgeen blijkt uit hetgeen zij zeggen en doen, was Hij vervuld met wijsheid, niet door het voordeel te hebben van opvoeding en onderwijs, maar door de werking des Heiligen Geestes. Alles wat Hij zei en deed, was wijs gezegd en wijs gedaan, boven Zijne jaren. Terwijl andere kinderen tonen dat het bederf der natuur in hen aanwezig is, en het onkruid der zonde opgroeit met de tarwe van het verstand, liet Hij blijken dat niets dan de genade Gods over Hem was, -de tarwe ontsproot zonder onkruid-en dat, terwijl andere kinderen van nature kinderen des toorns zijn, Hij grotelijks bemind was door God, en in hoge mate Zijne gunst genoot, dat God Hem liefhad, en op bijzondere wijze zorg voor Hem droeg.