26. En ik vond door mijne langdurige ervaring en opmerkzame beschouwing van `s mensen doen geleid a) een bitterder ding dan de dood, omdat het den mens in het eeuwig verderf stort (
Spreuken 5:4): ene vrouw, welker hart door hare vleierijen en verlokkingen voor iederen man netten en garen zijn, waarin hij gemakkelijk gevangen wordt, en hare wellustige handen banden en sterke ketenen zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, in de vreze Gods wandelt, zal door Gods genadigen bijstand van haar ontkomen; daarentegen de b) zondaar, die zijne eigene zonde en die der wereld nog niet heeft leren kennen en verafschuwen, zal in die verzoeking geen overwinnaar zijn, maar van haar in hare strikken en netten gevangen en in het verderf gestort worden.
a) Spreuken 5:3,6:24; 7:6, b) Spreuken 6:26; 7:23; 22:14.